Vier sonnetten over pater Damiaan

5 dec, 2008 Onderdeel van poésies

Renée van Riessen (1954) is dichter en docent filosofie aan de Protestantse theologische faculteit (Kampen). Zij promoveerde in 1991 op Erotiek en dood, met het oog op transcendentie in de filosofie van Levinas. Van haar zijn bij Bert Bakker de volgende dichtbundels uitgegeven: Jagend  licht, 1984, De vrouw en de trommel, 1987, Gevleugeld/ontvleugeld, 1997. Dit jaar verscheen bij Prometheus de bundel Krekels in de keuken. Ze vond het goed dat de volgende ongepubliceerde sonnetten (Vier sonnetten over pater Damiaan) op deze site werden gezet, voorzien van een interessant commentaar van gastschrijver Henk Abma.

I

Hij woonde in den vreemde bij leprozen,

verbond hun wonden, nam hun zorgen af,

kuste ze op hun wangen en hun ogen

en sprak de zegen uit over hun graf.

                                                                                                                                                                                                 

Hij kon de sneeuw niet van hun lichaam scheppen

zoals de Heer, die hen terloops genas,

maar bracht de naam van Christus op hun lippen

als hij hen aanzag en het Evangelie las.

                                                                                                                                                                                                    

Ik zocht de crypte waar zijn resten liggen.

Wat is het wonder van die kleine man?

‘Niemand heeft groter liefde’ zegt de Heiland,

                                                                                                                                                                                                  

‘dan wie zijn leven zomaar geven kan

voor vrienden, voor de naaste in de verte.

Hij sterft én leeft. Zijn naam staat op het strand.’

                                                                                                                                                                                              

II

Een onbegrijpelijk vuur. Alles verlaten:

huis, land, je vrienden, moeder, en het gras

waar je als jongen speelde, en de daken

van het stille dorp waar je vertrouwd mee was.

                                                                                                                                                                                                   

Liefde, kind van de waanzin, witte liefde

die transparant is als een schoon stuk glas

en pijnlijk voor de ogen, die het einde

van alle dingen zoekt. De vlam. De as.

                                                                                                                                                                                               

Hij kuste alle zieken, maar wat dreef hem?

Was het de dood die in ons lichaam slaapt?

Heeft hij demonen met zijn mond verdreven,

                                                                                                                                                                                                

joeg hij de wolf weg bij het bange schaap?

Of was hij het zelf, die vluchtte voor het leven,

voor de verveling die om onze dorpen gaapt?

                                                                                                                                                                                               

III

Hij teerde weg. Zijn handen en zijn voeten,

wang, hals en rug met zweren overdekt,

bleef hij vertellen van wat hem ontroerde:

het dode kind dat weer werd opgewekt

                                                                                                                                                                                                

en Lazarus, in Abrahams schoot geborgen,

als een belofte voor de ellendigen hier

die hun kwetsuren tellen, elke morgen,

en ‘s avonds samen staan bij de rivier.

                                                                                                                                                                                              

Daar bidden ze de hemel om ontferming,

maar twee uur verder zijn de hekken dicht.

Er is geen oor voor dit ontluisterd kermen,

                                                                                                                                                                                                 

men zoekt naar schoonheid, een volmaakt gezicht,

naar sieraden die passen, en bescherming

van de politie en electrisch licht.

                                                                                                                                                                                             

IV

Een sarcofaag? Zijn lichaam werd gegeten

voor het in de stenen doodskist werd gelegd.

Hij ging al jong op weg, naar niets, maar ieder

van ons komt daar nog eens terecht.

                                                                                                                                                                                             

Noem ik het ‘niets’? Of meer een wijde zee, die

zich schuimend uitstrekt langs je levensweg,

die schittert, inspireert en je herinnert

aan wat de man van Patmos heeft gezegd:

                                                                                                                                                                                                

dat er een zee is waar de heiligen wonen,

een zilveren vlakte die ontvangt en straalt.

                                                                                                                                                                                                

God zal de tranen van de mensen drogen

als hij de doden uit hun kluisters haalt.

                                                                                                                                                                                                   

Dat woord vergeet ik niet, want voor mijn ogen

heeft Damiaan het lijfelijk vertaald.

                                                                                                                                                                                                   

Kanttekeningen (Henk Abma)

Pater Damiaan werd in 1840 in Tremelo geboren als Jozef de Veuster, het zevende kind in een boerengezin. In 1864 komt hij als missionaris in Honolulu, Hawaï; in 1873 vestigt hij zich op het eiland Molokai tussen de melaatsen, waarvan er tot 1969 zo’n tienduizend op het strand werden gedumpt. In 1884 wordt ook bij Damiaan lepra vastgesteld, de ziekte waaraan hij vijf jaar later bezwijkt.

Johannes Paulus II verklaart Damiaan in 1995 zalig. Bij die gelegenheid wordt de rechterhand als relikwie naar Molokai verscheept. Na de heiligverklaring – mogelijk op missiezondag 18 oktober 2009 – zal ook nog een been naar het eiland terugkeren. In 2005 wordt Damiaan uitgeroepen tot ‘grootste Belg aller tijden’. Peerke Donders [1809-1887] was de Nederlandse evenknie van Damiaan; hij werkte in Suriname onder de leprozen, zijn heiligverklaring was in 1982. Heiligen die beide paters voorgingen zijn: Cosmos en Damianus, ‘pro deo’ artsen aan het eind van de 2e eeuw in Syrië, die de eerste beenmergtransplantatie verrichtten.

I nam hun zorgen af, sprak de zegen uit over hun graf,- hij timmerde de doodskisten en groef  ook de graven; hij nam de ziekte [sneeuw] niet weg, maar bewerkte wel een keerpunt: wetten en regels werden nageleefd, er komen woningen; Christus op hun lippen: de naam als balsem; iemand, die naar hen omziet; de crypte: in 1936 is het overschot opgegraven, met hulp van Roosevelt ingescheept naar Antwerpen, ingehaald door koning Leopold en bijgezet in Leuven; het wonder van die kleine man is zijn liefde. Niemand heeft… vgl Joh. 15,13. Wie zo doet, is niet langer slaaf maar vriend, want hij weet wat de Heer doet, kent zijn liefde; r 14 wordt Jezus toegeschreven: Hij sterft èn leeft, leven, door de dood niet ongedaan; Zijn naam staat op het strand  vgl Joh. 21, 1-14: de Opgestane verschijnt aan de oever van de zee en houdt maaltijd met de discipelen: vis en brood op een vuurtje van kolen, vgl. ook het slot van ΙΧϴΥΣ van Ida Gerhardt:

De vis, getrokken door mijn hand
en even vrij nog van de golven,
zal straks gewist zijn van het strand
en door de grote vloed bedolven.
Maar in het water dat hem nam
zwemt levende het Monogram.
Geheime trek van tij en maan:
Hij zal op alle kusten staan.

ΙΧϴΥΣ, Ichthus: Grieks voor vis, als monogram: Ιἠσουϛ  Χριστοϛ / ϴϵου  Υωϛ / Σωτηρ, – Jezus Christus / zoon van God / verlosser; ‘Maar’ is scharniermoment, qua vorm: kruis- en gepaard rijm, maar ook inhoudelijk; de vis, getrokken, niet met een net maar als tekening op de grens van land en water; de vis wordt gewist, het teken / monogram blijft; water dat hem nam: in zijn element, ook een erotische connotatie; de bedolven vis, verzonken aanwezig, –  de vloeiend geworden lijnen gaan zwemmen, moment dat iedereen die aan het strand speelde [her]kent; de getijdenwerking bewerkt de laatste transformatie: is de vis ‘van eigen hand’, in de geheime trek hebben mensen geen hand: Hij zal op alle kusten staan.

II Gaat het eerste sonnet vooral over het wonder van de liefde, in het tweede wordt vuur aangewezen als de kern daarin. Vuur, - vgl de brandende braamstruik, Ik heb terdege gezien de ellende, Ex 3,7; ook het begin van de tekst die Pascal in de voering van zijn jas meedroeg; Alles verlaten, vader, moeder Gen 2,24; schip, netten, alles. Mt 4,20 Lk 5,11; 14,33; 18,28. Liefde, kind van de waanzin: in 1982 werd Maximiliaan Kolbe heilig verklaard; deze priester stierf in Auschwitz als plaatsvervanger van een man en vader; Operatie Kolbe [2006] was een initiatief ten behoeve van gijzelaars in Colombia; witte liefde,- overgave; transparant als glas, pijnlijk voor de ogen: wijst vooruit naar en expliciteert IV r 9-10.

wat dreef hem? / de dood die in ons slaapt? In zijn roman A Burnt-Out Case [1960, de term wordt hier mogelijk voor het eerste gebruikt] linkt Graham Greene de mentale toestand van Querry, die z’n carrière de rug toekeert en de Congolose leprozerie waarin hij zich terugtrekt [de verminkingen worden benoemd als burnt-out]. Damiaan komt in de roman ter sprake als een leprofiel. Anderzijds geldt: lepra is zeer besmettelijk, maar slechts 5% krijgt de ziekte. demonen met zijn mond verdreven? In de film Damien, the leper priest met Ken Howard en Mike Farrell wordt Damiaan in de kolonie pas geaccepteerd nadat hij de melaatsen heeft gekust en aangeraakt.

III Het lichaam valt uiteen, het evangelie houdt hem overeind: het kind uit Naïn en Lazarus; laatstgenoemde is het prototype van leprozen met hun klepper en vuyl = bedelbrief, vgl. de Vuilpoort; iemand het leplazarus wensen, belazeren, oplazeren. Het derde sonnet actualiseert de kloof uit de parabel [Lk 16,19-31]: leprozen likken hun wonden bij de rivier; de armen ‘geloven met hun zweren’ [Noordmans]; niet ver van de leprozerie verrijzen de zware hekwerken van de rijken: botox en plastische chirurgie; het recht beschermt de rijken, felle lampen die bij de minste beweging opflitsen. De kloof betekent: rijk en arm ontmoeten elkaar niet, laat staan dat zij elkaar raken. De aanklacht gebruikt de hemel als projectiescherm: het godgeklaagde  leed schiet omhoog. Job weet dat zijn gehavend vlees wordt recht gedaan [19,25], Ezechiël schouwt hoe het leven in de kuil met lijken terugkeert [37,1-14], kortom: zij zullen staan op alle kusten. De gelijkenis als spiegel verdiept de kloof: alles in de boven/bouw komt van beneden; de transcendentie wordt gevoed door immanentie, – de rijke wil Lazarus ook nu nog inzetten als loopjongen om verkoeling te brengen of familie te waarschuwen; vgl de Hades bij Vergilius en Ovidius over Orpheus en Eurydice; echter: niet een mirakel maar tenach [Mozes en profeten] brengt gerechtigheid teweeg; de parabel is niet geïnteresseerd in een hierna[nog]maals, de aardse kloof beslist over het bestaan van hemel en hel.

IV Een sarkofaag? [lett. vleeseter, vgl 1 Cor. 15,54]; de mensheid op weg naar niets dan wel: een wijde zee, schuimend langs je levensweg: zee van informatie, inspiratie en herinnering; de man van Patmos ziet martelaren staande aan de glazen zee [Op. 4,6; 15,2]: een zilveren vlakte die ontvangt en straalt. In het Joodse en Babylonische wereldbeeld is de hemeloceaan het bovenste gewelf van het uitspansel. De zee is bevroren, van glas: de golven zijn gaan liggen, chaos en tegenkrachten getemd, [door vuur] gereinigd, transparant geworden, vgl Ex.15,1-3: de wateren tot staan, doortocht en uittocht. Tranen die drogen /  de doden uit hun kluisters, – geen toekomstbeeld, maar levenswijsheid hier en nu.

Naschrift: om aan geld te komen schreef de 24 jarige W.F. Hermans [ps. Fjodor Klondyke, - Dostojevski en gangsters] vier detectives, een daarvan heette: De leproos van Molokaï. Jan Kuijper vond het boekje op het Waterlooplein en herkende onmiddellijk het in 1957 onder dezelfde titel herschreven verhaal [nu in Volledige Werken II].

  1. 3 Reacties op “Vier sonnetten over pater Damiaan”

  2. Door Molière op 12 dec, 2008

    Prachtig! Ik heb kennis gemaakt met een mij tot dusver onbekende dichteres, en met een mij tot op heden even zo onbekende – hoe zal ik hem noemen? – “heilige”, getuige?…

  3. Door roetman op 13 dec, 2008

    Een man van witte liefde in een wereld van elektrisch licht. Daar kan geen kerstviering tegenop. Ook de kaarsen waarmee wij de duisternis willen verdrijven, redden het niet.

    Wit licht is alleen te vinden daar waar verfijnde, geladen woorden een weg zoeken in de diepte van de menselijke aandacht

  4. Door johan reijmerink op 3 jan, 2009

    kreeg vandaag 030109 mail van Renée van Riessen over mijn recensie op Meandermagazine. Ze memoreerde dat dit stuk over Damiaan in de Poëziekrant gaat komen. Je hebt het dus ondertussen opgestuurd naar Gent? Met positief resultaat?! Ik wist niet van deze site. Mooi geheel. Interessant. Modern. Helemaal van deze tijd! Proficiat!

Reageer