Het einde van een stroper

10 jan, 2011 Onderdeel van paysages

Column door Dick Dijs

Na het overlijden van zijn keuterboerende vader en de daarop volgende verhuizing van zijn nog krasse moeder naar zijn in het dorp wonende zuster Monique, is vijftigjarige stroper Paul Delacourt in het ouderlijk huis blijven wonen, omdat dat lekker gemakkelijk èn goedkoop, want gratis is. Na twee jaar koopt broer Claude de hele bedoening van zijn moeder, niet om er direct te gaan wonen, want dat doet hij, als gendarme, verplicht in de kazerne in een nabijgelegen stad. Hij wil het boerenhuis slopen en op die plek eigenhandig, en met hulp van zijn zwager en toekomstige buurman Camille, een villa neerzetten. Paul krijgt alvast wel aangezegd dat hij binnenkort moet opkrassen.

Paul moet het huis uit

Maar Paul heeft geen haast. Hij zou niet weten waar hij heen moet en hij denkt in zijn onnozelheid dat het verlies van zijn onderdak wel niet zo’n vaart zal lopen. Hij volhardt in zijn oost-indische doofheid, ook als de verzoeken, de eisen en de bedreigingen fasegewijs grimmiger worden. Opeens is de buurtschap in rep en roer: de gendarmerie is bezig Paul, plus zijn wat schaarse meubelen, het huis uit te zetten. Er wordt gescholden en zelfs gevochten, maar het verzet van Paul kan niet lang duren. Het bed, een tafel en twee stoelen worden in een vlakbij tot ruïne vervallen huis gezet, en daar kan Paul het dan mee doen. Broer Claude grendelt deuren en ramen en gaat met zijn collega’s terug naar de kazerne. Had hij het recht zijn broer op straat te zetten? Ik ben de enige die daaraan twijfelt. Een gerechtsdienaar is niet gesignaleerd, officiële papieren zijn niet getoond – wat toch geen zin zou hebben gehad, want Paul kan amper lezen en is dus wat juridisch koeterwaals betreft honderd procent analfabeet. Ik vermoed, blijvend in stilte, dat de gendarmes hun collega gewoon een vriendendienst hebben bewezen. Dat vermoeden wordt versterkt als Claude en hun zwager Camille ‘s avonds in de buurtschap, om onlustgevoelens te voorkomen, een charme-offensief beginnen. Zij benadrukken dat Paul verscheidene malen, maar tevergeefs, een huis is aangeboden, wat niet per se onwaar hoeft te zijn.

Arme Paul

Paul overnacht, omdat geen van de andere buurtbewoners zich nu met hem bemoeit, laat staan zich over hem ontfermt, drie keer in de deur- en raamloze ruïne. Dan blijkt dat hij aan de ondershandse en hardhandige uitzetting een gebroken arm heeft overgehouden. De dorpsdokter laat hem in het nabije ziekenhuis opnemen, met de boodschap dat zij hem ook eens grondig en van top tot teen reinigen. Paul heeft het er, zo blijkt mij tijdens een met Henri afgelegd ziekenbezoek, best naar zijn zin. Hij ligt warm en droog, krijgt goed te eten en redelijk te drinken: zowel bij het middag- als bij het avondmaal een half flesje (une fillette) rode wijn. Het familiedrama lijkt redelijk goed af te lopen. Monique koopt voor broer Paul een huisje in het dorp. Maar heel erg lang woont Paul er niet. Zijn drankzucht neemt toe en zijn gezondheid daaraan evenredig af. Elke morgen om negen uur laat hij zich, om de dag voorzichtig te beginnen, in de bistrot twee maal koffie met cognac opdienen. De rest van de dag wordt de ontembare dorst gestild met rode wijn. Op een keer wordt hij in het avonddonker bewusteloos op straat aangetroffen. Daar was hij waarschijnlijk door een lichte herseninfarct getroffen. Een maand later is het weer zover. Met finale afloop. Binnen een week is Paul wijle. Zijn begrafenis trekt weinig publiek. Zelfs broer Claude verschijnt niet aan het graf. Hij is die zaterdagochtend te druk met het ploegen van zijn tuin.

Zie ook: www.dick-dijs.nl

Reageer