De blauwe goudkust

14 mrt, 2012 Onderdeel van paysages

Column door Jelle Noorman

“Aan de vriendelijke kust van de Franse Rivièra, ergens halverwege Marseille en de Italiaanse grens, staat een groot, trots, rozegepleisterd hotel. Eerbiedige palmen verkoelen de blozende gevel, en aan de voorzijde strekt zich een kort stuk oogverblindend strand uit. Sinds enige tijd vormt het een zomerverblijf voor vooraanstaande, modieuze mensen; tien jaar geleden stond het praktisch leeg wanneer de Engelse gasten in april naar het noorden vertrokken.” Aldus begint F. Scott Fitzgeralds roman Tender is the Night uit 1934, die zich deels afspeelt tussen Cassis, in de Bouches-du-Rhône, en Menton, in de Alpes-Maritimes. Côte d’Azur heet de streek sinds 1887, toen schrijver Stephen Liégeard die naam verzon. Buiten Frankrijk noemt men deze azuurblauwe kuststrook de Rivièra, die officieel doorloopt tot aan Viareggio in Italië. Of liever gezegd, daar begint hij, want riviera is het Italiaanse woord voor zeekust, en het gebied rond Nice viel eeuwenlang binnen de Italiaanse invloedssfeer.

De Franse Rivièra die Fitzgerald beschreef – die van vermogende buitenlandse toeristen – bestaat al meer dan tweehonderd jaar. De door hem genoemde Engelsen ontdekten er aan het eind van de achttiende eeuw het milde klimaat, na enthousiaste verhalen van reislustige schrijvers als Tobias Smollett (naar wie in Nice dan ook een straat is vernoemd). Rijke Britten, onder wie koningin Victoria, kwamen er voortaan en masse overwinteren. In Cannes ontstond zelfs een permanente aristocratische kolonie rond Lord Henry Brougham. Toch bleef de Côte d’Azur tot begin twintigste eeuw voornamelijk een wintertuin voor de internationale welgestelden en aanzienlijken (ook de Russische, Duitse en Scandinavische adel kwam erachter dat men er op elegante wijze de sneeuwmaanden kon mijden).

Het is daarom geen wonder dat zelfs nu nog de Rivièra zacht gezegd een wat ander aanzien geniet dan de Spaanse costa’s. In de jaren twintig stroomde er een mondainere elite toe, bestaande uit nouveaux riches, die zich permanent in luxueuze villa’s vestigden en de hedonistische levensstijl introduceerden waarmee namen als Saint-Tropez, Antibes en Cannes sindsdien synoniem zijn. Dit frivole leefklimaat trok weer zulke uiteenlopende schrijvers en kunstenaars aan als Somerset Maugham, Ernest Hemingway, Henri Matisse en Kees van Dongen, wier aanwezigheid en werken de regio nog meer glamour verleenden. De minder artistiek georiënteerde leden van de jetset hoefden zich overigens ook niet te vervelen: behalve met regatta’s en andere watersporten (zwemmen in zee was een door de Amerikaanse bezoekers ontketende rage) konden ze zich onledig houden met het vergooien van hun geld in de gokhallen van Monte Carlo, die in de negentiende eeuw door het even armlastige als vindingrijke Monegaskische vorstenhuis waren opgezet, of anders wel in de casino’s van Cannes.

Die laatste plek is sinds 1946 ook de thuishaven van de moderne elite: de mediasterren. Jaarlijks vindt er het meest prestigieuze filmfestival ter wereld plaats, evenals de MIDEM, een van de belangrijkste internationale muziekbeurzen. De vaste inwoners halen hun neus op voor dit soort klatergoud en klagen al decennialang over de verloedering van hun Rivièra. Maar zolang het Carlton Hotel in Cannes suites aanbiedt van twaalfduizend euro per nacht en er ‘s zomers zo veel jachten in de havens aanleggen dat hier en daar parkeerschijven verplicht zijn, is de Franse goudkust nog niet echt in handen gevallen van het proletariaat.

Jelle Noorman is de auteur van onder andere twee boeken over Frankrijk: Mijn Frankrijk (Atlas, 2004) en De haan op de mesthoop (Atlas, 2001). Hij is nu bezig met het schrijven van een essay-roman over de Franse schrijver Marcel Proust.

Reageer