Domineesland, een apologie

4 mei, 2013 Onderdeel van pensées

Column door Benno Barnard

De gedachte dat dominees bij één enkel boek zouden zweren, met voorbijgaan aan alle andere geschriften van literaire of wijsgerige aard, berust op een diepe onwetendheid, die kenmerkend lijkt te zijn voor veel Nederlandse intellectuelen en waarvan de wortels wellicht in het grondsop van het jaar 1968 gezocht moeten worden. Een denkend iemand wordt geacht zich grondig over de zaken te informeren alvorens hij zich uitspreekt; alleen omtrent dominees, calvinisten en protestanten in het algemeen verdient het in onze cultuur aanbeveling zich schaamteloos in clichés uit te drukken.

Om te beginnen bestaat de Bijbel – dat vermeende ene boek – uit zesenzestig boeken. Daarom heet het ook ‘bijbel’, afgeleid van βιβλία (biblia), een Grieks meervoud dat ‘boeken’ betekent. Het betreft hier weliswaar sacrale boeken, maar evengoed is dit nuttige kennis, heel geschikt voor een spelletje trivial pursuit, want het toont aan dat het privébezit van een flink aantal profane boeken, zoals gebruikelijk in protestantse kring, als het ware een etymologische oorsprong heeft.

Zesenzestig boeken. In Vlaanderen, waar ik woon, heeft de contrareformatie gemaakt dat de meeste mensen ook eeuwen later in de verste verte geen zesenzestig boeken bezitten, zelfs niet als je de kookboeken meerekent. De reformatie heeft er weliswaar voor gezorgd dat menig Nederlands intellectueel ofwel zijn hele leven op seksuele frustraties kauwt, die hij toeschrijft aan de benauwde gereformeerde moraal van zijn ouderlijk huis, ofwel gewoon geen zak van het christendom afweet – maar dat verandert niets aan het feit dat diezelfde intellectueel vooral een lezer is geworden dankzij de erfenis van het Nederlandse protestantisme. Iedereen leren lezen – een streven dat voortvloeide uit de opvatting van het priesterschap van alle gelovigen – is de belangrijkste bijdrage van het protestantisme aan de emancipatie geweest.

Laat ik een voorbeeld geven van de zelfgenoegzame houding van het Nederlandse intellectuelendom wanneer het over dit onderwerp gaat. Een winter geleden citeerde het Reformatorisch Dagblad met instemming de voorzitter van de Nederlandse Vereniging tot bevordering van de Zondagsrust en de Zondagsheiliging, die een Elfstedentocht op zondag als een aanval op de Bijbel beschouwde. Het intellectuelendom schimpte en smaalde. Christenen! Calvinisten! Getsie!

Ik erger me dood aan het soort angstige, anale interpretatie van de ‘Zondagsrust’ waarbij die vrome vereniging zweert. Maar ik erger me evenzeer dood aan de cultuurhistorische holte van onze journalistiek, waaruit een vooraf ingeblikte lach opstijgt. Mallotige theologie daargelaten, de andere kranten mochten willen dat ze het niveau haalden van dat o zo saaie Reformatorisch Dagblad, dat de traditie van nationale geletterdheid sinds de Statenbijbel in grote eenzaamheid voortzet.

Sinds ik het in 1976 achter me heb gelaten, is mijn geboorteland zonder verder causaal verband behoorlijk onleefbaar geworden, en ik doe het graag aan Geert van Istendael cadeau, die erin liefhebbert zoals ik in België. Maar terwijl Nederland in de tijd steeds verder van me vandaan glijdt, blijf ik het merkwaardig vinden dat zoveel ontwikkelde mensen ook in Nederland zelf met een diepe antropologische verbazing naar de traditionele protestantse cultuur staren, als naar een pruimenbrandewijn zwelgende stam van lichtgeraakte messentrekkers in de Balkan.

Menigeen heeft een nogal karikaturaal beeld aan Maarten ’t Hart of Jan Wolkers ontleend, maar hun romans beschrijven marginale vormen van fundamentalistisch protestantisme, dat verder geen kwaad kan maar ook niet erg interessant is.

Wie werkelijk iets wil doorgronden van de schoonheden en beperkingen van de beschavingsvorm waaruit ik ben gekweekt, zou zich eens moeten verdiepen in Als je eenmaal hebt liefgehad, Over ds. J.T. Doornenbal, geloof, cultuur en politiek van Bart Jan Spruyt (Boekencentrum, 2009). De schrijver (geboren in 1964) is historicus, gespecialiseerd in de geschiedenis van het christelijk verzet tegen Hitler; tevens is hij voorzitter van de Edmund Burke Stichting. Ik vermeld zijn geboortejaar niet zomaar: er bestaan ook conservatieve denkers van onder de tachtig.

Verbeeld ik me dat of hoor ik daar al het gekef van de vooroordelen, die het woord conservatisme volgen als poedels hun oudere dame? Hier maken zelfs twee oudere dames samen een wandelingetje, want Spruyts boek is een studie over christelijk conservatisme. Dat moet wel over iets dubbel vreselijks gaan! Bij die voorspelbare reactie teken ik aan dat de christianofobie onder weldenkenden een sterk onderschat verschijnsel is.

Jacobus Teunis Doornenbal (1909-1975) is voor Spruyt – zelf een christelijk conservatief, maar die overtuiging tast zijn zin voor de historische wetenschap niet aan – een exemplarische figuur: geboren voor de Eerste Wereldoorlog, gestorven na mei ’68. Daarmee behoort hij tot de laatste brede lichting van tolerante, cultuurdragende, door een mengeling van reformatie en humanisme gevormde dominees, een continuüm dat dankzij de secularisatie heeft opgehouden gecontinueerd te worden. Niet dat dominees als J.T. Doornenbal niet meer bestaan, maar hun plaats is naar de periferie verschoven.

Vier eeuwen lang vormden deze dominees de ruggengraat van het mystieke lichaam geheten het Nederlandse volk. Er zijn families die ononderbroken van vader op zoon dominees hebben voortgebracht, vierhonderd jaar lang, generatie na generatie – bijvoorbeeld de familie van de betreurde dichter C.O. Jellema, die zelf ook theologie had gestudeerd, maar uiteindelijk niet voor het ambt koos. Aan domineeszaad ontsproten kinderen, zeker de exemplaren die op het platteland zijn opgegroeid, in het magische claustrum van een oeroude dorpspastorie met een grote tuin en een boomgaard, herkennen elkaar aan hun taalgebruik en hun humor, maar vooral aan hun heimwee. Ik weet waarover ik het heb: ik ben een van die kinderen, opgegroeid in een achttiende-eeuwse pastorie, omringd door 5066 boeken, een piano en een grammofoon, maar zonder televisie, niet omdat mijn ouders tv het kijkkastje van de duivel vonden, maar wel omdat ze tv iets doms vonden, dat domme mensen dom hielp houden. Televisie als een reactionair machtsinstrument dus.

De dominee! Exoot in dit heden, steen uit de ruimte, artefact in een vitrine met voorwerpen uit de Humanistische Christelijke Beschaving…

Zoals menige dominee schreef Doornenbal wekelijks stukjes in een regionaal kerkblad. Daar moet u niet te gering over denken. Veel Nederlandse literatuur is protestants, ook als zij anti-protestants is. Maar hoeveel studenten in de letteren verkwisten hun tijd niet aan contemporain gezeur, zonder Gerrit Achterberg – ‘godsdienst hangt zwaar tegen de hanebalken’ – te kennen? In 1953 las Doornenbal de poëzie van Achterberg in het licht van de verhouding tussen het ‘aesthetische en ethische’ bij Kierkegaard, welke categorieën hij vergeleek met ‘de strijd tussen Es en ’t Ik’. Die stukjes schrijvende dominees, die figuurtjes in het achterdoek van de eigenlijke literatuur, die waren zo dom nog niet.

Maar ter zake. Ik wil hier het conservatisme van Spruyt en Doornenbal uitleggen, en mijn eigen houding ertegenover. Doornenbal maakte de ‘invasie van de moderniteit’ mee en gaf zich daar voor het eerst rekenschap van toen een dienstmeisje ‘aarzelend met de traditie brak door haar nieuwe kanten muts niet te vervangen door een rouwmuts toen een oudtante was gestorven die zij, nota bene, nooit had gezien’. Weldra zou iedereen ‘dezelfde soort smakeloze kleding’ dragen. Een nivellering naar beneden toe beroofde de Nederlanders van hun schoonheid, hun traditie, hun spiritualiteit en hun verstand.

Die Jacobus Teunis!

Maar ik herken zijn weemoed, dat besef dat een tijdperk ten einde loopt. Alles evolueert permanent, dat is al zo sinds de eerste pijlpunt. Maar de voorbije vijftig jaar zijn de veranderingen zo radicaal! Ze grijpen in zo’n krankzinnig tempo plaats! Warempel, wat moet een Doornenbalachtige als ik nog in de tijd, nu de digitale technologie het geheugen van een nieuwe generatie door een collectief superbrein vervangen heeft?

***

Ik geef u drie dominees ter overweging. De eerste, Balthasar Bekker, was afkomstig uit het Friese dorp Metslawier en leefde van 1634 tot 1698, in de Gouden Eeuw van de vooruitstrevende handelsrepubliek der Nederlanden. Deze predikant publiceerde in 1691-93 het boek De Betoverde Weereld, een baksteen, nee, een hoeksteen van de Nederlandse Verlichting, een 800 pagina’s tellend betoog tegen het geloof in hekserij en de macht van de duivel en demonen over de mens, waarin Bekker zich beroept op Descartes. Een gewone dorpsdominee. Descartes. Achthonderd pagina’s.

Hij had het als humanist natuurlijk in het Latijn kunnen schrijven, maar hij verkoos het Nederlands om een zo groot mogelijk publiek te bereiken. Want, beste lezer, ook toen al hadden die voorouders van ons leren lezen – weinig culturele omslagen in de wereldgeschiedenis hebben zo sterk bijgedragen tot de emancipatie als de reformatie. (Ook het communisme zou mensen leren lezen en schrijven, maar dan met de van nul psychologisch inzicht getuigende bedoeling om ze tot geluk te verplichten.)

Dankzij twee vertalingen in het Duits heeft De Betooverde Wereld de Verlichting in de Duitse landen diepgaand beïnvloed. De laatste aanklacht wegens hekserij dateert daar van 1775, terwijl het laatste proces in de Nederlandse Republiek al in 1608 had plaatsgevonden. De Aufklärung van Moses Mendelssohn en Frederik de Grote en Immanuel Kant had het een en ander te danken aan die dominee. (U ziet, de Verlichting is niet overal in oppositie met het christelijk geloof opgekomen.)

Nu een Duitse dominee. Onlangs zag ik Das weisse Band, een tamelijk onthutsende, in zwart-wit gedraaide film uit 2009, over een feodaal gebleven Pruisisch dorp in het laatste jaar voor de Eerste Wereldoorlog. Het verhaalt gaat over vreemde, sadistische en verschrikkelijke gebeurtenissen, hiërarchische verhoudingen die niet meer functioneren, gewelddadige opvoedingspraktijken – die samen de psychologische achtergrond van het nazisme zouden vormen, dat volgens de makers in de Duitse culturele structuur zat ingebakken. Daar geloof ik niets van, want ook de Engelsen en de Fransen tuigden hun kinderen graag met een lederen broeksriem af, maar de Duitsers wentelen zich nu eenmaal al vele decennia in het stof.

In Das weisse Band speelt de dominee een belangrijke rol. Het is een dominee zoals ex-protestanten hem het liefste hebben, omdat ze in het kader van hun therapie sidderen van zondig genot als iemand anders van de onverwerkte godsdienst uit hun kindertijd iets onloochenbaar bespottelijks maakt. Een man met een scherp gezicht, getypecast op gevoelloosheid. Hij wordt met ‘Herr Vater’ aangesproken, waardoor hij semantisch al dicht bij God staat (‘dominee’ is trouwens de vocatief van het Latijn voor ‘Heer’ of ‘heer’). Onder biddend opzien geeft hij zijn gebroed regelmatig een pak slaag. Ik ben er dan ook zeker van dat de scenarioschrijver door liefdeloze protestanten is opgevoed. Het hadden ook liefdeloze atheïsten kunnen zijn, maar het atheïsme is zo’n onaantrekkelijk verhaal omdat het helemaal geen verhaal is, zodat weinig mensen zich ertegen kunnen afzetten.

Een symbolische bruut van een dominee. De dominee als ondersoort van het genus der rotmoffen. Dat is althans de bedoeling. Maar ook daar geloof ik niets van. De man in de film is veel sympathieker dan hij wordt geportretteerd. Zijn twee oudste kinderen zijn rotzakken, tot wier gevoelens hij niet vermag door te dringen. Zijn mimiek wordt getekend door het verdriet van een vader die zijn nageslacht op een onmachtige manier bemint. Ja, hij is stug en onhandig. Al in zijn verzonken kindertijd gold deze onwrikbare regel: wie zijn kinderen liefheeft tuchtigt hen. In de pastorie – en in alle huizen van fatsoenlijke Pruisische burgers – verspert Deugd als een schildwacht de toegang tot de vertrekken van zijn zuster Intimiteit. Maar deze dominee is ook het product van de Pruisische Verlichting: die staat achter hem in zijn boekenkast, zoals uit menig shot blijkt, en dat is een schildwacht die het Verstand bewaakt.

De derde dominee is mijn vader, Willem Barnard, ook bekend als de dichter Guillaume van der Graft. Over hem kan ik hier verder weinig schrijven – hij is pas twee jaar dood en aan sentimentaliteit heeft u niks. Het enige is misschien dit: hij had een grote hekel aan het woord dominee. ‘Ik ben toch geen vocatief!’ zei hij toen ik op de Latijnse declinaties studeerde.

***

Speciaal voor de mens die met een koevoet maat 68 uit het grote historische continuüm is losgewrikt, bestrijd ik de onzalige superstitie dat verlicht-zijn niet zou samengaan met (a) christendom en (b) conservatisme. Daarom ben ik zo blij dat ik J.T. Doornenbal heb ontmoet, een christelijk conservatief die uitgesproken verlicht is… Maar wat houdt dat christelijke conservatisme van Doornenbal en zijn biograaf nu precies in? En hoe verwant voel ik mij ermee?

‘Naar mijn overtuiging,’ schrijft Spruyt, ‘belichaamt Doornenbal een traditie die “relevanter” is dan ooit. We hebben namelijk meer dan ooit behoefte aan intelligente nostalgie, aan een vorm van conservatisme die ons aanspoort en helpt om het goede – neergeslagen in ideeën, tradities en instituties – lief te hebben…’ Daar ben ik het van harte mee eens, mede omdat Spruyt het conservatisme tot mijn blijde verrassing nog veel uitgebreider definieert met behulp van citaten uit mijn werk. Waar ik dan weer haastig aan toevoeg dat mijn conservatisme heel wat liberaler en linkser is dan het zijne. Leve de traditie, leve de vrijheid, leve de emancipatie! zou ik u toe willen roepen.

In Das weisse Band kan de hiërarchische samenleving – die trapsgewijze georganiseerde uitvergroting van de natuurlijke verhoudingen – zich alleen maar handhaven met behulp van fysiek geweld. Op dat punt aanbeland is een maatschappij ancien régime geworden. Maar ook een oorlog of een revolutie, gevolg door een nouveau régime, verandert niets aan het feit dat de verschillende westerse samenlevingen tot op de dag van vandaag de structuur van een gegroeide hiërarchie blijven vertonen. Dat kunnen we maar beter toegeven.

Bij iedere poging om het wiel van de geschiedenis in naam van de ‘vooruitgang’ en de ‘maakbare samenleving’ een zwiep te geven, belanden we alleen maar in de problemen. Het geloof in systemen die zo volmaakt zijn dat je zelf niet meer goed hoeft te zijn, zoals T.S. Eliot dat formuleerde, is het gevaarlijkste wat er bestaat. Dergelijke systemen brengen hun hecatomben met duizenden tegelijk. Het is veel verstandiger de dingen heel behoedzaam te wijzigen. Voor ons sociale geluk en de wereldvrede moeten we er rekening mee houden dat de mens een duister wezen is, geneigd tot zelfvernietiging. Op dat punt ben ik het met Calvijn eens, aan wiens predestinatieleer ik verder een gloeiende hekel heb. Niet is dommer dan een hiërarchisch evenwicht, het moeizame resultaat van trage ontwikkelingen, omver te werpen. Dat porselein breekt altijd.

Voor de laatste maal keer ik terug naar dominee Doornenbal, of liever gezegd naar zijn biograaf, Bart Jan Spruyt. Deze historicus is lid van de Protestantse Kerk van Nederland; ikzelf ben lid van de Church of England – een aanzienlijk verschil in sfeer. Maar wat ik met Spruyt en zijn onderwerp deel, is het besef dat ‘transcendentie’ onmisbaar is voor denkende nostalgici. Het alternatief is namelijk de menselijke hybris van de wereldverbeteraars, de sociale ingenieurs, de neodarwinisten en de nog veel ergeren.

Wat die neodarwinisten en de transcendentie betreft het volgende. Ik begrijp om te beginnen niet waarom de intellectuele vijanden van het christendom het neodarwinisme zo prijzen. Is dat om hun eigen atheïsme via Dawkins een schijn van wetenschappelijkheid te verlenen? Maar het neodarwinisme is een omschrijving van de natuur als een extreem hiërarchische organisatievorm – de voedselketen is een trap waar nogal wat schepsels vanaf donderen. Als er iets reactionair is, dan wel de natuur.

Tot de verschrikkingen van het neodarwinisme als ideologie behoort het verbreken van het grootste sociale contract van allemaal: dat tussen de doden, de levenden en de ongeborenen. Dat contract vormt de kern van het christendom. Het christendom is namelijk geen stelsel van cognitieve waarheden, maar een manier om de geschiedenis een verhalend karakter te verlenen – daarbij verhoudt de christelijke mythologie zich tot de sociale en politieke geschiedenis als de kerkklok tot de gewone klok. Zo zijn onze voorouders via onszelf met onze nazaten verbonden, in een narratieve synchroniciteit die de herinnering en de verwachting celebreert. Dat is wat ik met ‘transcendentie’ bedoel. Maar wie niet ontvankelijk is voor het mythische en symbolische hoort hier natuurlijk het gemompel van de gek op de straathoek.

Het neodarwinisme nu betekent het einde van de transcendentie, het preekt de betrekkelijkheid van alle levensvormen en bijgevolg het onbelangrijk zijn van de dood – en dus ook van de doden.

Een neodarwinist zal tegenwerpen dat de dood ook in de evolutieleer een van de kernwaarden is: het gaat bij het sterven van schepsels niet om afval, maar om een voorwaarde voor enige ontwikkeling of verandering. En er is op die manier wel degelijk een band tussen de levenden en de doden, tot heel ver terug zelfs. Dat is natuurlijk waar, maar ik zou dat toch willen kwalificeren als een mechanische opvatting van het verband tussen de levenden en de doden – met bewuste herinnering heeft het niets te maken en de onloochenbare materiële, genetische, evolutionaire keten die zich blind door de amorfe tijd heen slingert is iets heel anders dan een narratieve, om niet te zeggen literaire relatie tussen levende en dode mensen in de gevormde tijd die we geschiedenis noemen.

In elk geval is het neodarwinisme – vaak omhelsd door mensen die doen alsof ze opgelucht zijn dat ze straks echt doodgaan – aan de winnende hand onder de elite, niet alleen bij het linkse maar ook bij het rechtse deel. De dominante westerse cultuur is voor het eerst sinds de dageraad van het menselijk bewustzijn bezig de mythische band met de doden te verbreken.

Ach, het christendom! Maar ook in afgeschafte toestand lijkt het me voorlopig nog wel te functioneren. De meeste intellectuelen verplaatsen zich op enkele stokpaarden, waarvan de Maakbaarheidsideologie en de Klimaatpaniek de bekendste zijn. Die ideeën hebben een christelijke pedigree: ze vervangen de Stad Gods, respectievelijk de Ruiters van de Apocalyps – want ook de notie van de kapotmaakbaarheid behoort tot de zelfoverschatting van de mens. Maar wat mij interesseert is de vraag in hoeverre het christelijk geloof niet sowieso onafschafbaar is. Want de westerse beschaving is op het zelfbeschuldigende af doordrongen van noties als vergeving, zachtmoedigheid en vrede, ook op de momenten dat zij niet in overeenstemming daarmee handelt.

En dat conservatisme?

Mijn opvatting luidt dat de kunst en het intellect de oorlog moeten verklaren aan het opgelegde egalitarisme. Verdedig de vrijheid. Stimuleer de emancipatie. Pleit voor de traditie, het continuüm, een zo breed mogelijke kennis van kunst, literatuur en geschiedenis. Verhinder dat de socialisten het departement van onderwijs bezetten. Accepteer het feit dat u een voortbrengsel van de westerse cultuur bent, alvorens die cultuur te bekritiseren. Verbeter uw positie indien mogelijk door noeste arbeid en het woekeren met al uw talenten. Zo ongeveer luidt de boodschap van mijn conservatisme. Het Nieuwe Jeruzalem daalt uit de hemel neer, of niet natuurlijk, maar je kunt het nooit zelf bouwen; hooguit is een onvolmaakte benadering van de transcendente matrix mogelijk.

Ik moet er nog bij zeggen, beste lezer, dat ik u niet kan vertellen of God echt bestaat. Dat is weer een heel ander onderwerp, waar ik verder geen verstand van heb. Om u een uitweiding over Kierkegaard te besparen, zal ik op dit punt de grote theoloog Gerard Reve citeren: ‘Hij heeft zelf toch nooit beweerd dat Hij bestond?’

Heb ik u er met het bovenstaande van overtuigd dat in die oubollige, zo snijdend door uw cabaretiers belachelijk gemaakte domineeswereld het fundament is gelegd van uw eigen belezenheid? O, gunt u me anders toch minstens dat ik uw onwankelbare weerzin tegen die wereld – een kleine kosmos vol boeken – aan het wankelen heb gebracht!

Deze column verscheen eerder in De Gids en De Groene

Benno Barnard is dichter, essayist, toneelschrijver en vertaler. Hij schreef onder andere Een vage buitenlander (Atlas, 2009). Hij ontving meerdere belangrijke litteraire prijzen.

 

  1. 1 Reactie op “Domineesland, een apologie”

  2. Door Schrijver in Frankrijk op 11 mei, 2013

    Beste Benno,
    Dank voor je interessante column.
    Jij bent een schrijver met een poot in domineesland, ik ben een dominee met een poot in schrijversland. Jij hekelt het intellectuele wereldje waarin veel schrijvers zich als vissen in het water voelen – wereldje met zijn vooringenomenheden en clichés, ik kan nogal kritisch zijn waar het gaat om hedendaags domineesland. Jij geeft af op schrijversland omdat het het christendom uitsluit, ik geef af op domineesland omdat het cultuur-arm is geworden en daarmee de weg naar de literatuur is kwijt geraakt.
    Kortom de brug die domineesland met schrijversland verbond – brug die jouw vader nog volop belichaamde – is verdwenen. Althans, niet helemaal: jij en ik (op mijn bescheiden manier) behoren tot de laatsten der Mohicanen.
    Natuurlijk is die obligate anti-christelijke stellingname van de intelligentia hoogst irritant, en niet alleen dat, maar ook dom. Ik heb alleen zo het idee dat het hier om oudere intellectuelen gaat, bij jonge mensen is het christendom dusdanig uit het zicht verdwenen dat ze het misschien juist wel weer ‘grappig’ vinden. Afijn, maar zien… Maar anderzijds kan ik me ook bijzonder aan dominees en kerkvolk ergeren wanneer ze
    a) de literatuur als te werelds beschouwen (met name wanneer ze zich door de oprukkende debiliserende geest van een bepaald soort evangelicalisme laten meeslepen) of te moeilijk (want geloof-en-literatuur, dat past niet bij het ‘opleuken’ van de kerk – en als we niet allemaal leuke dingen doen, lopen ‘de jongeren’ weg…)
    b) op een huilerige manier de meest anti-kerkelijke schrijvers erbij willen houden. Ze denken hoogst verlicht en intelligent te zijn wanneer ze van mensen als Maarten ‘t Hart tot in den treure blijven beweren: “Ze zijn eigenlijk heel dichtbij God gebleven, want ze worstelen met God.” Het probleem met deze brave dominees en kerkmensen is dat ze zich te zeer op het thema ‘afrekenen met de kerk’ fixeren. Het is alsof ze literatuur die op een rustige manier christenvriendelijk is wantrouwen (misschien denken ze: “het is te mooi om waar te zijn”). En zwarte-kouserig zijn en blijven ze want voor literatuur die op couperusiaanse of proustiaanse wijze mondain is, en waarin het geloof nauwelijks een rol speelt, trekken ze hun schouders op. Wat ze natuurlijk wel weer denken mooi te moeten vinden, zijn boeken met titels als “De kapper van Islamabad” of “Blauwe sluiers in Izmir” (ik verzin maar wat). Boeken met zulke titels kunnen natuurlijk heel mooi zijn, maar wanneer je ze uit (kerk-)politiek correcte overwegingen mooi moet – ja, moet vinden, is dat toch weer jammer. Jammer voor die boeken vooral.
    Ik overdrijf schromelijk, maar helemaal ernaast zit ik – denk ik – niet. En wat de dominees betreft, hoe kunnen ze nog cultuurdragers zijn wanneer ze continu door managers en ‘beleidsouderlingen’ achter de vodden worden gezeten. Om cultuur te dragen moet je rust hebben, en tijd. Geef dominees die rust (er zit veel taalkunstenarij bij dominees – elke week een nieuwe preek!). Managers in de kerk, ziedaar de grote ramp. Elders hebben ze wellicht hun plaats, niet in de kerk.
    Jij hekelt de geest van ’68 en een zeker doctrinair links (wat niet altijd hetzelfde is). Het oogmerk van de generatie ’68: taboes doorbreken en ‘grenzen verleggen’, tradities omver schoppen. Het oogmerk van oud-links: nivelleren. Dit is gebeurd. Ik denk dat we nu tegen andere krachten hebben te strijden. Krachten die zich voeden met de waanideeën van het neoliberalisme en de idolatrie van de vrije markt. Op schaamteloze wijze wordt het recht van de sterkste weer gehuldigd. Concurrentie, competitie, winners-en-losers, champions – dit zijn de (manager-)woorden die opgeld doen. Dit neoliberalisme heeft niets met het oude conservatisme te maken. Het staat er, me dunkt, nog haakser – veel haakser – tegenover dan het socialisme. Het oude conservatisme was in zijn vasthouden aan oude, eerbare tradities humaan. Paternalistisch – zeker – maar paternalisme veronderstelde bij de ‘patres’ (de notabelen, onder wie de dominees) een gevoel van verantwoordelijkheid, een zich inzetten voor de algemene zaak.

Reageer