De zanger van de Pont Neuf

17 mei, 2017 Onderdeel van proses

Column door Caspar Visser ‘t Hooft

Nederlanders spreken alle talen – zegt de Franse kennis die een stukje met me meeloopt, van het metrostation St Sulpice tot nummer zoveel van de rue d’Assas, waar hij een afspraak heeft. We liepen elkaar tegen het lijf toen we uit de ondergrondse trein stapten, we hadden in verschillende wagons gezeten. Boven werden we opgewacht door een chanson van Jacques Brel: Quand on a que l’amour A s’offrir en partage Au jour du grand voyage… Bij de trap, op het trottoir, staat een jongen van een jaar of achttien met een gitaar, en met voor hem, op de grond een plastic bekertje vol munten. Half lang blond haar, blauwe ogen. Ik herkende het Nederlandse accent, wat ik mijn kennis meedeelde. Ze ‘bedruipen’ zich in alle talen – is mijn antwoord. Bescheidenheid is gepast. Wat niet wegneemt dat Nederland zo zijn talenwonderen heeft gehad (en misschien nog steeds heeft). Diezelfde middag word ik met zo’n specimen geconfronteerd. In een van de antiquarische boekwinkeltjes in de buurt van de Jardin du Luxembourg – mijn bestemming van die middag – stuit ik op een exemplaar van de Poésies françoises van H. Piccardt. Een mooi leren bandje, een bruinig kaft, veel te duur. In de inleiding wordt een en ander over de schrijver uit de doeken gedaan. Ik lees: Ce qu’il y a de plus prodigieux, c’est qu’il n’y a que sept à huit mois, il avait toutes les peines du monde à s’exprimer en prose, et encore très peu françoise (‘Het meest opmerkelijke is dat hij zeven à acht maanden geleden nog alle moeite had om zich in het Frans uit te drukken, zelfs in gewoon proza’). H. Piccardt was een Groninger.

Henric Piccardt 

Ja, de naam zegt me wat, ik ben hem al eens eerder tegengekomen. Thuis gekomen surf ik wat op Internet. Henric Piccardt leefde van 1636 tot 1712. Hij was een eenvoudige domineeszoon uit Woltersum. En als zo vaak gebeurt met domineeskinderen, als ze eenmaal uit huis zijn, springen ze uit de band. Een reactie tegen vrome bedomptheid? Of juist een teken van evangelische vrijheid en levenslust? Hoe dan ook, Henric reisde af naar Parijs waar hij overdag op de Pont Neuf liedjes zong en deze op de harp begeleidde, om ’s avonds met de opbrengst van zijn muzisch emplooi in de hoogste kringen de zwierige sinjeur uit te hangen. Toen hij in Parijs aankwam, sprak hij blijkbaar nog maar een zeer gebrekkig Frans. Zeven à acht maanden later werden zo’n vijftig sonnetten van hem gebundeld, gedrukt, verspreid, wat blijkens de inleiding nogal wat verwondering wekte: ze waren geschreven in een mooi, sierlijk Frans. Een talenwonder!

Suzanne de Pons 

In die tijd schreef je niet zomaar in het wilde weg gedichten, in die tijd schreef je verzen om uitdrukking te geven aan je smachten naar de faveurs van een aanbeden dame sans merci. De jonge Henric Piccardt droeg zijn sonnetten op aan een zekere Suzanne de Pons, hofdame van de Franse koningin, Anna van Oostenrijk. Deze mademoiselle de Pons, dochter van de markies de la Caze, was een hooggeboren lichtekooi en femme fatale. Nauwelijks aangekomen aan het hof, of ze bracht door haar schoonheid het hoofd op hol van een prins, een neef van de koning, Henri II, hertog van Guise. Een losbandig heerschap. Op jonge leeftijd werd hij aarsbisschop van Reims, maar na de dood van zijn vader ontdeed hij zich van dit heilige ambt. Niet dat hoge prelaten ervoor terugdeinsden naar het vrouwenschoon te tasten – zoals dat heet. Maar het werd toch als eerzamer beschouwd wanneer je dat deed als profaan en gehuwd individu. Tja… En zo raakte het vorstelijke heerschap op een goede dag in de ban van Suzanne de Pons. Zo zelfs dat hij haar overal volgde, waarheen ze zich ook maar begaf. En hij in bed bleef liggen wanneer zij, ziek, haar ledikant niet verliet, hij dezelfde badkuren volgde als zij tijdens haar convalescentie, en men hem twee weken lang rond zag lopen in precies dezelfde japon als zij aan had toen ze, eenmaal genezen, weer aan het hof verscheen. Deze hoogst significante wederwaardigheden kun je terugvinden in de historiettes van de gevierde auteur Tallemant de Réaux – literaire roddelpraat die een kleurrijk beeld geeft van de aristocratische kringen in het 17e eeuwse Parijs.

Adieu mon Amaranthe ! 

Of de arme Groningse domineeszoon en overdag straatzanger de gunsten van Suzanne de Pons wist te verwerven, is maar helemaal de vraag. Zeker is dat haar lichtzinnigheid dusdanige proporties begon aan te nemen dat de koningin haar voor levenslang in een klooster liet opsluiten. Zou zij daar in stilte, tijdens het bidden, aan de volgende verzen van haar aanbidder Piccardt hebben gedacht? Céleste objet, divin Esprit! Princesse de mon coeur dont l’absence me tue, Je te consacre cet écrit! Pour avoir seulement un regard de ta vue, Permets-moi que dedans l’espoir Que j’ai ma belle de te voir, Je console ma vie errante: Ou si la dure loi d’un rigoureux trépas, Prévient à mes souhaits, adieu mon Amaranthe! Fais dans ton souvenir que je ne meure pas. Hij noemde haar Amaranthe.

Terug in de Ommelanden 

Henric Piccardt leidde een avontuurlijk leven. In Parijs wist hij door te dringen tot de hoogste hofkringen, waar hij betrokken raakte in de meest gecompliceerde intriges. Vanaf een gegeven moment scheen de koning het op hem te hebben gemunt, wat hem ertoe bracht hals over kop Frankrijk te verlaten en zijn toevlucht te zoeken in zijn vaderland. Aangekomen in Groningen werd hij opgepakt en in het cachot gegooid. Frankrijk en de Staten hadden elkaar zojuist de oorlog verklaard, hij werd van pro-Franse sympathieën verdacht. Na een jaar kwam hij weer vrij, en wat hij in Parijs had gedaan, deed hij nog eens over in het Groningse. Door allerlei listige zetten en door taaie volharding wist hij zich daar binnen de steedse oligarchie op te werken, om te eindigen als syndicus van de Ommelanden – een hoge post – en kasteelheer van de fraaie Fraeylemaborg bij Slochteren, die nog steeds overeind staat, en die zonder overdrijven als een van Nederlands mooiste kastelen mag worden beschouwd. Zijn vrouw was een nicht van de laatste kasteelheer uit het oude Groningse geslacht Rengers. Toen zij stierf, schreef Henric Piccardt weer een gedicht, in het Nederlands, ditmaal zeer stichtelijk: ‘Mijn Anna, wederhelft en luister van mijn leven, mij liever dan het oog, aan mij van God gegeven! (…) O neen, de dood gaf u het leven – mij alleen treft dit verlies, ’t welk ik tot de kuil beween’… enzovoort.

Nation pesante… 

Ik loop terug naar de Metro van St Sulpice. Staat de Nederlandse straatmuzikant daar nog? Nee, weg. Het is tegen zevenen ’s avonds. Wat hij vandaag aan centjes bij elkaar heeft gezongen, kan hij nu fijn gaan op-feesten. Ik moet opeens denken aan iets anders dat ik in de inleiding van de Poésies françoises van Henric Piccardt had gelezen. Onze jonge vermetele Groninger werd er voorgesteld als een ‘jonge Duitser’ die was opgegroeid in een land dat men vanouds zwaarwichtigheid had aangewreven (un jeune allemand élevé chez une nation que l’on a toujours accusée pesante). Groningers Duitsers? Nederlanders zwaarwichtig? Niet die jongen met zijn Jacques Brel liedjes, niet Henric Piccardt met zijn harp op de Pont Neuf…

 

 

 

 

  1. 1 Reactie op “De zanger van de Pont Neuf”

  2. Door Rondom Piccardt op 20 mei, 2017

    We hebben je column met belangstelling gelezen. Jouw versie van het ‘Pont Neuf’ verhaal verschilt van de onze. Maar we zijn het er over eens dat Henric Piccardt op z’n zachtst gezegd een kleurrijke figuur was. Bijzonder dat zijn naam nog steeds rondzingt. Onder schrijvers én als centraal punt in een historisch vertelproject zoals het onze.

Reageer