N7

16 aug, 2017 Onderdeel van paysages

Column door Caspar Visser ‘t Hooft

Iemand vertelde me dat hij laatst mijn naam was tegengekomen. Ik denken: Fijn, hij zag een boek van me staan – of liggen (dat is nog beter) – in een boekhandel. Nee – nee, dat was het niet. O, wat dan wel? De persoon wist het zich zo gauw niet te herinneren. Hij kwam er de volgende ochtend op terug, de nacht had raad gebracht: het was in een klein, geïmproviseerd museum aan de kant de weg. Ergens tussen Montélimar en Orange. Een museum met allerlei objecten en foto’s die betrekking hebben op een befaamde nationale route, de Nationale 7. Hè? – zeg ik, en ook: Kom, wat doet mijn naam dààr nou? En toen ging ook mij opeens een licht op. Maar natuurlijk! Ik had op verzoek van een van de beheerders van dat museum een tekst met uitleg in het Nederlands vertaald. Een kennis, Francis. Ik was de enige Nederlander die hij kende, vandaar zijn verzoek. Alles op vrijwillige basis, het grappige museum bestaat dankzij de onbaatzuchtige inzet van hobbyisten. Van mij had mijn naam niet onder de Nederlandse uitleg hoeven staan, Francis dacht daar anders over. En sindsdien komen Nederlandssprekende bezoekers van het museum hem tegen. Zo gek, opeens jouw naam daar te zien staan, op het houten bordje dat je bij binnenkomst wordt aangereikt met daarop de documentatie! Zo onverwacht!

Tot mijn schande moet ik bekennen dat ik het kleine weg-museum voorbij het dorp Piolenc zelf nooit heb bezocht, en dat terwijl ik zeven jaar lang vlakbij in de buurt woonde. Wel herinner ik me vaag de inhoud van de tekst die ik vanuit het Frans in het Nederlands had omgezet. Ik trachtte me een en ander voor de geest te halen toen ik afgelopen week vanuit de Auvergne terugreed naar het noorden. Ik had besloten een andere weg te nemen dan op de heenreis. Ditmaal niet de tamelijk saaie (en dure!) snelweg over Lyon, Dijon en Reims, maar een route middendoor Frankrijk, waar stukken (gratis!) snelweg en nationale wegen elkaar afwisselen. Yssingeaux – St Etienne. Daar begint de A73 richting Clermont-Ferrand. Ik neem de afslag 32 (St Germain-Laval), om vervolgens door te rijden over een mooie D8 (D van departementale weg) die de voet volgt van de Montagne de la Madeleine. De donkere heuvels (1000 m.) golven links van je met je mee. Bij het dorp Changy zoek ik de toegang tot het stuk dubbelbaanse weg dat ik op de Michelin-kaart zie aangegeven. Waarom eigenlijk? Omdat dat sneller is? Maar ik kan hem niet vinden, blijkbaar gemist, en ik denk: ach, dan maar over de kleinere weg verder. Hij gaat per slot van rekening dezelfde kant op… Er was iets met dat dorp, Changy. Toen ik er doorheen reed, kon ik er niet – figuurlijk gesproken – de vinger op leggen. Pas in het volgende oord, La Pacaudière, begon het me te dagen: ik reed over de oude N7. Je hoeft er de kaart (die de nummers van de wegen aangeeft) niet bij te pakken, er zijn buiten tekenen genoeg. Ook op de rest van het traject. Voor zover je althans over de gewone weg blijft rijden (de dubbelbaanse omleidingen om de dorpen en steden zijn duidelijk nieuw) – de weg die La Pacaudière met Lapalisse verbindt, Lapalisse met Moulins, Moulins met Nevers, Nevers met Montargis…

Wat voor tekenen? Ouderwetse wegwijzers, aangebracht op hoeken van huizen, met blauwe pijltjes die het aantal resterende kilometers tot Parijs aangeven, en omgekeerd tot Marseille. Half weggevaagde reclames op sommige blinde muren van huizen en gebouwen: Byrrh, Suze, Dubon-Dubonnet. Verlaten, vervallen pompstations – grotere pompstations dan je doorgaans langs ‘kleine’ wegen tegenkomt (als je ze nog tegenkomt). Restaurants met ingeslagen ruiten, of met planken voor de ramen: sinds de aanleg van de autoroute du soleil (A6 en A7), in de tweede heft van de jaren 60, is de N7 – die tot dusver Parijs met het zuiden verbond – grotendeels in onbruik geraakt. Die restaurants waren zo-te-zien gebouwd in de typisch zakelijke jaren-50 en -’60 stijl. Waarom zien nieuw-verwaarloosde panden er zoveel meer verwaarloosd uit dan bouwsels die al sinds eeuwen ruïne zijn? Omdat deze laatste bijna organisch deel zijn gaan uitmaken van het landschap? Het breed-landelijke midden-Frankrijk is er vol van. En toch, ik hoop dat ze die verlaten pompstations en restaurants langs de weg niet weg doen, maar laten staan (a priori zijn de Fransen daar goed in – in dingen gewoon te laten staan): mij doen ze denken aan de reizen uit mijn jeugd. Toen maakte je nog praatjes met de man in de blauwe overall, of met de madam met haar voor dichtgeknoopte schortjurk, die je kwam bedienen bij het tanken. Toen lunchte je onderweg nog in eenvoudige en échte restaurants (soep uit een grote terrine die bij de tafels rondging, of anders een bord met charcuterie en crudités, daarna een blanquette de veau met frites, als toetje kazen, en voor wie dat niet wilde crème caramel) – in plaats van in anonieme, massa-drukke snelweg-malls. Afijn, om maar te zeggen, ik reed vorige week terug over een stuk van de N7, dezelfde die een halve dag eerder in Marseille begint, en die ook het dorp Piolenc, in de Provence, doorkruist, daar waar mijn kennis Francis, met anderen, een Musée de la Nationale 7 runt. Ik was me er bij het uitstippelen van het traject niet vol bewust van geweest. Ik had geen spijt. Toch nam ik toen het weer even kon de (gratis) snelweg, ik wilde diezelfde avond nog thuiskomen.

Ja, de N7 is voor de Fransen een begrip. Temeer omdat de bekende chansonnier Charles Trenet er in het jaar 1955 een lied aan wijdde (De toutes les routes de France, d’Europe, celle que j’préfère est celle qui conduit, en auto ou en auto-stop, vers les rivages du Midi...). Wat een openbaring moet het voor Parijzenaars zijn geweest voor het eerst de blauw-blinkende Middellandse zee te aanschouwen! Ze hadden er in de jaren van naoorlogse wederopbouw eindelijk de middelen toe: een kleine Deux Chevaux (‘eend’), een eerste 4L… Ze zijn sindsdien nooit vergeten dat de weg die ze hadden genomen de Nationale 7 was. Dat blijft je bij. En zo zagen ze ook nog iets van het hart van Frankrijk, de lachende wijnvelden van Sancerre en Pouilly, de weiden met Charollais-koeien in de omgeving van Nevers en Moulins, de eerste voorlopers van het Massif Central wanneer je Lapalisse nadert… Voor veel Fransen, en anderen, is Frankrijk zich tot Parijs en de Parijse banlieues enerzijds en de Côte d’Azur (’s zomers), de ski-oorden in de Franse Alpen (’s winters) gaan beperken. Want die autoroute du soleil, die is gemaakt om alleen maar half verdoofd op voort te denderen, met de blik op het oneindige. Dat is niet goed. Zo raak je vervreemd van wat vanouds de essentie was van het land – ja, het land: la terre.

 

 

 

 

 

 

 

 

Reageer