De hugenoot Gide

14 mrt, 2018 Onderdeel van proses

Column door Caspar Visser ‘t Hooft

De bossen rondom Versailles en Rambouillet waren in vroeger tijden jachtgebied van de Franse koningen. Sindsdien, tot lang na de ondergang van de monarchie, behielden de jachtpartijen in deze bossen een aristocratisch karakter. Ik sta voor een groot schilderij: Messe de St Hubert chez la duchesse d’Uzès à Rambouillet (vert. ‘Sint Hubertus-mis bij de hertogin van Uzès in Rambouillet’) – lees ik op een bordje. Op de voorgrond de ruggen van heren en dames in groene jachtkostuums. Verderop, in de diepte van het tableau, de wit-en-paarse rug van een priester voor een altaar. Iemand vertelt me dat deze hertogin van Uzès een markante persoonlijkheid was in het mondaine Parijs van de tweede helft van de 19e eeuw. Ze was de spil van een zeer gesloten coterie, royalistisch en ultra-katholiek. Ik zeg: “O…” De naam ‘Uzès’ roept bij mij heel iets anders op: een klein stadje in Zuid Frankrijk, in het departement van de Gard.

Ik zie het in gedachten voor me liggen, voorbij een oneffen landschap, waarin stenen en laag struikgewas (lavendel, gele brem, ciste) elkaar het terrein betwisten, half verscholen achter een rots, die nu eens zwart is, dan blauw, dan oranje, al naar gelang de stand van de zon. Waarom komt het me voor alsof het stadje me de rug toekeert? Alsof het de andere kant op kijkt, de kant van die paarse streep daar, in de verte? Is dat omdat die paarse streep de Cevennen aankondigt, het bastion van het Franse protestantisme? Wanneer de dragonders van de koning de protestantse gemeenschappen in de stadjes in de vlakte (waaronder Uzès) weer eens lastig kwamen vallen, dan wisten ze waar ze hun heil hadden te zoeken: in de diepe dalen en spleten – ja, van die paarse Cevennen daar…

Het Frankrijk van de hoog-adellijke St Hubertus-missen in de diepe, dompige koningswouden van de Ile-de-France, het Frankrijk van het uitverkoren hugenotenvolkje dat psalmzingend de hoogten van Juda – lapsus: van de Cevennen – intrekt wanneer het gevaar uit het Noorden nadert, en daar in de buitenlucht, op open plekken, omringd door rotsen en knoestige dwergeiken, naar hagepreken luistert. Een zelfde Frankrijk? Twee werelden!

De protestantse gemeenschap van Uzès

Uzès, de Cevennen: André Gide wijdt er in zijn autobiographie (Si le grain ne meurt) een paar prachtige bladzijden aan. Zijn grootvader had er als voorzitter van het lokale gerechtshof zijn loopbaan beëindigd, en tot haar dood bleef ook de weduwe Gide in het stadje wonen. De jonge Gide kwam er geregeld de zomers doorbrengen. Grootvader Gide was in zijn tijd een steunpilaar van de plaatselijke protestantse gemeenschap geweest. Zijn weduwe hield aan deze traditie vast, al was het alleen al door de getrouwheid waarmee ze elke zondag de ‘temple’ bezocht. Ze was het middelpunt van een groepje stokoude dames die voor het begin van de dienst hun even zo stokoude dienstboden erop uit stuurden om onder hun zitplaatsen hun stoven, oftewel voetenwarmers, neer te zetten. Zelf kwamen ze stipt op tijd de kerk binnen, waarna ze luidkeels, met krijsende stemmen, naar elkaars gezondheid en zo meer begonnen te informeren. Ze waren zo doof als potten. De dominee had de grootste moeite hun gekakel te overstemmen. De jonge Gide schaamde zich dan een beetje voor zijn grootmoeder, hij deed daarom alles om niet naast haar te hoeven zitten. Wanneer hij in zijn herinnering terugblikte op dat groepje oude hugenotendames, bij wie nog iets van de heroïsche tijden van de verdrukking en van de opstand van de Camisards aankleefde, vond hij dat je je moeilijk een grotesker en tegelijk ontroerender tafereel kon voorstellen.

Een aartsvaderlijk hugenotengezin

En dan is er de beschrijving van een toevallige ontmoeting met een boerengezin in de Cevennen waarbij Gide zich anderhalve eeuw terug in de tijd waant. Gide heeft intussen de leeftijd bereikt dat hij er zonder begeleiding van volwassenen op uit mag. Hij heeft een uitnodiging ontvangen van een neef van hem, predikant in Anduze. Hij pakt de trein, en hij is dusdanig in een roman van Balzac verdiept dat hij niet merkt dat de boemeltrein, waarin hij zit, allang de laatste halte achter zich heeft gelaten en thans op een rangeerterrein is achtergelaten. Wat nu? Gide denkt er niet over de nacht in de eenzame coupé door te brengen, hij besluit daarom te voet verder te gaan. Maar Anduze blijkt te ver om het nog voor het vallen van de avond te kunnen bereiken. In de hoogte ziet hij ergens een lichtje branden. Een ’mas’ (dat is het occitaanse woord voor boerenbehuizing). Binnen staat een famillie op het punt aan tafel te gaan. Gide wordt met open armen ontvangen. Er wordt hem een plaats aangewezen aan de gedekte tafel. Maar voordat de mensen toetasten – soep, pain bis (bruin brood), fromage blanc, gepofte kastanjes – slaat grootvader de Bijbel open, en begint hij uit Jesaja voor te lezen. Hij ziet er met zijn lange baard zelf als een profeet uit, of als een aarstvader. Daarna wordt er gebeden. Een dankgebed voor de dagelijkse spijs en voor de heerlijkheid van de God’s goede schepping. Gide zou ook dit tafereel nooit vergeten: de nobele eenvoud.

Nostalgie

Met zo’n beschrijving raakt Gide bij de Franse protestantse minderheid (1 à 2 % van de bevolking) een gevoelige snaar. Het overgrote deel woont al sinds generaties in de grote stad, dit soort beelden zijn als archetypes die hun collectief onderbewustzijn blijven bepalen. Besloten bijeenkomsten na zonsondergang (‘veillées’) onder lage houten balken waaraan worsten te drogen hangen, bij haardvuren in grote schouwen. Op een massief, knoestig buffet prijkt de familie-Bijbel, de bladzijden hangen er los bij. Een stokoud persoon met een oud-testamentische voornaam (Abel, Moïse, Ezechiel…) vertelt verhalen uit de tijd van de vervolgingen, over predikers die vermomd rondreisden en over hoe hen steevast de strop te wachten stond wanneer de soldaten van de koning hen te pakken kregen. Over mannen die voor levenslang naar de galeien werden gezonden, over vrouwen die in de Tour de Constance van Aigues-Mortes werden opgesloten en die daar tientallen jaren onder de meest barre omstandigheden verbleven omdat ze weigerden het ware reformatorische geloof af te vallen (één woord was genoeg: j’abjure – het kwam niet over hun lippen. Wel een ander woord: resister)… Ja, elke Franse protestant vindt dat dit alles eigenlijk zo hoort wil je je een echte hugenoot kunnen noemen. Nostalgie – nostalgie! En tegelijk weten ze met deze heimelijke hunkering de spot te drijven. En ook daarin blijven ze hun traditie getrouw. Soli Deo Gloria! Alleen de Eeuwige komt alle eer toe, en ook alle verlangen en nostalgie. Wereldse droombeelden en nostalgische hunkeringen staan deze eer en dit ware verlangen alleen maar in de weg. Hierin zijn de protestanten anders dan sommige Franse katholieken die de neiging hebben bepaalde aspekten van de wereldse geschiedenis als heilig te beschouwen. Zo zagen degenen die tot de kring van de genoemde hertogin van Uzès behoorden het ten onder gegane Franse koningschap als omgeven door een gouden aureool. Stamden de koningen niet af van een heilige: St Louis…?

Twee werelden.

 

 

  1. 1 Reactie op “De hugenoot Gide”

  2. Door Dirk Vleugels op 14 apr, 2018

    Ik geniet van je verhalen/columns.

    Wat mij altijd fascineert is hoe je als geboren Nederlander zo goed de Franse mentaliteit en cultuur begrepen hebt.

    Weinig Nederlanders doen het je na.

    La Belgique is nochtans ook exotisch.

    De Nederlanders vinden het Vlaams grappig, en de Fransen lachen met het Belgische Frans dat verschilt van de taal van Parijs, zowel wat woordkeuze als accent betreft.

    In 1914, toen mijn grootvader school liep, was er in het Vlaams landsgedeelte enkel Nederlandstalig onderwijs in dorpsschooltjes.

    Rond de jaren 1913 verklaarde de toenmalige primaat van België, Kardinaal Mercier, dat het Nederlands niet geschikt is voor wetenschappelijk onderzoek. In datzelfde jaar kreeg professor Kamerlingh Onnes uit Leiden de Nobelprijs voor natuurkunde, en die man publiceerde in het Nederlands !

    In de middelbare school (enkel voor 12 tot 18 jarige jongens wiens ouders genoeg geld hadden) werd mijn grootvader gestraft wanneer hij durfde Nederlands te praten met zijn medestudenten.

    Men mocht enkel Frans praten. De straf bestond er in dat er een bordje om zijn hals werd gehangen. Op het bordje stond geschreven : J’ai parlé le flamand. Hij geraakte enkel van dat bordje af indien hij een klasgenoot aanwees die ook Nederlands gesproken had.

    Hij heeft mij verteld dat hij nooit iemand verklikt heeft, dus dat bord bleef 12 dagen om zijn hals hangen, en toen werd het om de hals van een ander gehangen want een leraar had een andere leerling betrapt op het spreken van Nederlands

    In die tijd was gewoon alles in het Frans, ook het gerecht. Er zijn zeer vele Vlamingen veroordeeld zonder dat zij de rechter of zelfs hun advocaat begrepen.

    Vele volkeren kunnen iets leren van België want nooit is de discussie tussen Vlamingen en Walen ontaard in een burgeroorlog.

    Nou ja, één keertje maar, toen ik in 1960 als negenjarig jongetje samen met mijn broertjes op het Belgische Noordzeestrand een zandkasteel gebouwd had en drie Waalse jongetjes het kapot maakten en grinnikend in het Frans zeiden : Ces flamands, ils sont tellement cons !
    Mijn broertjes en ik hebben toen die Waalse kereltjes afgerammeld.

    Koningin Paola die nochtans aan de zijde van Koning Albert II gedurende twintig jaren koningin was sprak amper Nederlands.

    Ooit zei Hare Majesteit in het Nederlands tijdens een interview tot de stomme verbazing van de journalist dat zij de volgende dag oude minnaars ging bezoeken.

    Zij bedoelde “gepensioneerde mijnwerkers”, maar in het Frans is een mijnwerker “un mineur” en zij dacht dat het in het Nederlands wel OK zou zijn om “minnaar” te zeggen, niet wetend dat dit woord iets anders betekent in het Nederlands!

    Tegen domheid vermogen zelfs de goden niets, zei de Griek Epicurus in het jaar 500 voor Christus

Reageer