1
1
2-300x75
3-300x75
4-300x75
5-300x75
6-300x75

Tot de herfst dan maar

4 mei, 2018 Onderdeel van proses

Column door Renée Vonk

Het was een mooie donderdagochtend. De herder met wie ik vaak en het hele jaar door via Facebook contact heb, had zijn komst met zijn kudde schapen en geiten aangekondigd. Vorig jaar was ie ook geweest. Nadat hij eerst gevraagd had of het mocht, met zijn troupeau mijn terrein op. Ja, natuurlijk. Graag zelfs! Ecologisch verantwoord snoeien, wat wil je nog meer? Bovendien ben ik van de dieren. Weet je wat echt genieten is? In je tuin op de grond zitten en dan besnuffeld worden door geiten en schapen die je verslijten voor een idioot die in de weg zit. Ik heb vooral iets met geiten. Afgestudeerde biologen of zo zullen wel roepen dat het niet klopt, maar ik weet op grond van fantastische ervaringen dat je ook met geiten een heel persoonlijk contact kunt opbouwen. Schapen zijn eerder een beetje dom, maar ja, wie niet?

En de herder is een aardig joch van een jaar of dertig, schat ik. Leidt een leven waar ik heel soms jaloers op ben. Altijd in de natuur, met z’n dieren. Maar ja, een leven in een caravan die steeds moet verkassen? Tot hoog in de bergen? Ik zal wel een tut-hola zijn die toch wel hecht aan een thuishonk. Hoe heet dat tegenwoordig? ‘Comfort-zone’, of zoiets. Het gemak van de moderne tijd, daar valt ook wel wat voor te zeggen.

Het was nog een heel gedoe, vanmorgen. Mijn honden zijn niet zo gecharmeerd van de vierpotig aangedreven kuddebewakers die de bende wolbalen zonder noemenswaardige aanwijzingen onder controle houden. Ik wel. Na een paar uur keerde in de huiselijke kring en in de tuin de rust terug. De herder die alleen een kop koffie bliefde, was jammer genoeg met zijn kudde de rivier alweer overgestoken.

Het was pas tegen elven, ik vond: ik ga maar weer eens aan het werk. Werk? Ik zag een mailtje van de telefoondienst KPN dat er voor de zoveelste keer veel teveel geld van mijn rekening was afgeschreven. Ik heb al tig keer met die firma gebeld, allerlei toezeggingen gekregen. Het zou geregeld worden. Mooi niet. Ik begon maar weer te bellen, ik werd zo achterlijk lang in de wacht gezet dat ik mijn nederlaag moest erkennen. Ik hing op. Na zo ongeveer een uur aangehoord te hebben dat de wachttijd langer dan vijf minuten bedroeg. En nog van die k*t-wachtmuzak ook.

“Kort geding?”, suggereerde de echtgenoot vilein.

We besloten voor het apéro dan toch maar even naar het dorp te kachelen. Op het terras zat ook de postdirecteur, haut fonctionnaire de La Poste. Als hij er is, weet je: vandaag geen post. Hij runt het dorpskantoortje met de meest marginale openingstijden die je maar kunt bedenken, en doet tevens de postbezorging. Toen ik hier pas woonde en ik in het café klaagde over de zwakke dienstverlening van La Poste, zei een Amerikaan die hier ook woont: ‘The Postman always drinks trice’. Ik snapte ‘m. Ik ken de klassieker ‘The Postman always rings twice’. Goeie film met Jack Nicholson. Ik vond het een aardige grap. En inmiddels weet ik dat de postdirecteur eerder in drie dan twee alcoholische versnaperingen denkt. Ik maak me er niet meer druk over als er een dagje geen post is. Of vele dagen. Maar dan wordt er gestaakt.

We reden terug naar huis. Ineens zag ik een affiche die ik op de heenweg gemist had: ‘N’oubliez pas de donner votre sang’. Het dorp werd uitgenodigd bloed te doneren. Op de tv had ik al eerder gezien dat we in Frankrijk nogal bloedgevers tekort komen.

“En als ze mijn bloed nou zouden willen hebben? “, overwoog ik.

“Goed bloed, goeie jaargang, dat bottelen ze meteen”, zei de echtgenoot.

“Bij de bloedbank of in de cave?”

Intussen hobbelden we via het bloedlinke paadje langs het ravijn met de rivier naar beneden op huis aan, en bedacht ik dat het misschien wel handig was zo’n flesje reservebloed in de eigen koeling te bewaren. Maar ja, dan moet je het wel eerst laten aftappen. Ik besloot m’n ‘sang froid’ voorlopig maar te behouden. En de jaargang nog een beetje op te krikken.

“Jij ook een glaasje rosé?”

De echtgenoot zei geen nee.

Ik keek even op Facebook en zag dat de herder nogmaals langs kwam. Wegens half werk van zijn schapen en geiten bij de eerste passage.

Vandaag was ie er weer. Het werk afmaken. Daar hadden de schapen geen moeite mee, ik ook niet trouwens. Behalve dan dat ik wel de bellen hoorde maar de troupeau nergens zag. Dus ik Facebookte naar de herder: “Ik hoor jullie wel maar ik zie je niet.”

“We zitten onderlangs het huis.” Dat klopte, maar daar kun je ze vanuit m’n kantoor bovenin het huis niet zien.

“Koffie dan maar?”

“OK, rallongé.” Ah, graag minder sterk dan de vorige keer. Het begint me op te vallen dat ook Fransen m’n koffie tamelijk straf vinden. Maar ja, ik zet koffie ‘à l’italienne’: volle houder voor twee in de espressomachine, drupje water door laten lopen boven 1 kopje. Koffie.

Ik bracht hem een mok met naar mijn idee veel teveel water met een vleugje koffie. Hij vond ‘m nog steeds sterk, maar hij was er aan toe.

We keuvelden wat, over de drachtige geit die elk moment kon bevallen (dat werd dus kraamkameren onderweg), de grote patou (m’n favoriet) die deze winter door een wolf was doodgebeten, Bobby (de favoriet van de echtgenoot), het scharminkeltje dat toch nog een echte herdershond bleek geworden en vernoemd is naar Bob Marley vanwege z’n ongeorganiseerde rastahaar, over hoe het steeds moeilijker wordt om nog weidegrond te vinden. Steeds meer landeigenaren weren zo’n kudde op het terrein met honden en herder erbij. Er mocht eens een groen blaadje van de verkeerde struik worden afgeknaagd, een moestuintje van wat kweekgoed ontdaan, wat verdwaalde keutels voor de deur gedeponeerd.

Hij had een mooie route gevonden, door het gemeentebos van de grote stad naar hier: “Twee euro huur per hectare die ik passeer.” Het is een tocht van negen kilometer…

De echtgenoot kwam ook nog even een hand geven. Of liever gezegd hondenkoekjes uitdelen. Hij was de bocht in het pad nog niet om of hij werd bestormd door vijf even niet meer zo waakse herdershonden die die koekjes zelf wel uit z’n broekzakken kwamen halen. Ons kent ons.

Op 20 mei gaan ze naar boven, de koele bergen in, transhumance. Gewoon te voet, zoals het vroeger ging, en niet met vrachtwagens zoals het tegenwoordig gaat; dat is te duur. Wel dragen ze felkleurige hesjes Dat moet, van de overheid, voor de veiligheid. Evengoed worden ze regelmatig bijna van de sokken gereden door ongeduldige toeristen die zo’n langzaam voortsjokkende troupeau allesbehalve pittoresk vinden en die die wandelende wolbalen het liefst zonder jas op hun bord zouden willen vinden in het prijzige sterrenrestaurant waarvan de reservering door hun verlate aankomst dreigt te verlopen.

We drukten elkaar de hand, een schouderklop, een afscheidszoen. Zo gaat dat hier. We zwaaiden nog maar eens terwijl hij met z’n kudde in het bos verdween. “A cet hiver.”

Tot hoe lang nog?

Ik word er nu al weemoedig van.

 

Renée Vonk is hoofdredactrice van Côte&Provence. Ze is de auteur van de autobiografische roman Opgestroopte mouwen (Kok, 2013) en van de verhalenbundels Kijk, Zuid-Frankrijk! (Grenzenloos, 2015) en Kijk, nog meer Zuid-Frankrijk (Grenzenloos, 2016). Ze woont in de Var

 

 

Reageer