De Franse gouvernante

1 mrt, 2019 Onderdeel van proses

Column door Caspar Visser ‘t Hooft

Zijn naam klinkt Frans, zijn familie was waarschijnlijk van hugenoten-afkomst, maar hij groeide op in een braaf Middelburgs gezin. We hebben het over Nederlands eerste cabaretier, Jean-Louis Pisuise. Hij begon zijn carrière als journalist en in die hoedanigheid maakte hij samen met een collega bij de krant een toer door Nederland, ze hadden zich vermomd als Italiaanse straatzangers. Het verslag van hun reis werd een groot succes. Pisuisse had intussen de smaak te pakken, hij ging weer op reis, ditmaal door heel Europa. In Parijs kwam hij toen in aanraking met de bekende chansonnier Aristide Bruant. Deze naam zegt jullie niets? En als ik zeg ‘de man met de rode sjaal’, degene die door de schilder Toulouse-Lautrec is vereeuwigd – jullie weten wel, van de affiche? O, ja! Jazeker! Van het optreden van deze artiest, en van het Parijse cabaret in het algemeen (Moulin rouge, de cancan enzovoort), raakte Pisuisse dusdanig onder de indruk dat hij terug in Nederland zijn eigen cabaret oprichtte. Hij bracht daarmee zwier en iets van frivole snaaksheid in het stijve, calvinistische Nederland. Zijn leven was roerig, vol liefdesaffaires, en met op laatst een moord. Een echte ‘crime passionnel’, hij werd door een amant van zijn vrouw doodgeschoten. Dat was in 1927.

Een heerlijk lied 

Het bekendste levenslied van Pisuisse was Mens, durf te leven. Leven, dat had Pisuisse gedurfd, al had hij op tamelijk jonge leeftijd nog zijn Franse panache met de dood moeten betalen. Een andere chanson was De Franse gouvernante. Een heerlijk lied, het geeft prachtig weer hoe de Nederlanders over de Fransen dachten – en misschien nog steeds denken: ze zijn frivool en lichtzinnig. En wat kunnen Nederlanders schijnheilig zijn! Ziehier de tekst:

 

‘n Grote stad, ‘n stille gracht, ‘n Deftig huis met ‘horren’

‘n Liverei-knecht, ‘t is de pracht met bakkebaard, geen snorren

Die staat te buigen voor de deur en uit de vigelante

Stapt met ‘n lachje en ’n kleur de Franse gouvernante

 

Mevrouw ontvangt haar in ’t kantoor, mam’sell’ maakt ‘reverence’

Mama stelt haar de meisjes voor: Mimi, Fifi, Hortense

Papa zegt heel distrait: Bonjour, maar achter zijn courante

Zit hij als kenner op de loer, naar de Franse gouvernante

 

Tussen het slaapvertrek der juf en het boudoir der meisjes

Daar zingt de oudste zoon, student sentimentele wijsjes

Er klinkt verliefdheid in de stem van Wim, de elegante

Niet voor de zusjes, maar voor hem is de Franse gouvernante

 

Als straks Mam’sell’ zich toiletteert staan Frans en Fritsje buiten

De tweelingen, die door ’t sleutelgat de Marseillaise fluiten

De ‘Vrouw’ is reeds het zwakke punt voor deze jonge kwante

En strakjes spelen ze kruis of munt om de Franse gouvernante

 

En d’ and’re morgen aan ’t ontbijt, mam’sell’ die is nog boven

Dan komen de jonge meisjes los; O, ma! U kunt ‘t niet geloven

Zij draagt ‘n onderrok van zij en ‘n, weet-u-wel met kante

En ‘n opengewerkte nachtjapon, de Franse gouvernante

 

En als ze ‘r bad genomen heeft, dan parfumeert ze ‘r arme

Haar schouders en haar hele hals met violette-de-parme

Papa zegt: Zulke praatjes zijn unladylike, genant, eh

Maar ondertussen denkt-ie: Fijn zo’n Franse gouvernante

 

En Wim en Frans en Frederik, die zitte’ erbij te gnuiven

En ieder denkt: Als ‘t lukt zal ik m’ eens op mam’selle fuiven

Kortom, het hele huis loopt dol op de geestige, pikante

Modieuze en verleidelijke Franse gouvernante

 

‘n Deftig huis, dus hallef-elf, dan zijn de lui naar bed en

Dan laat een rolgordijn je zien de raarste silhouetten

Soms is ‘t papa, en soms is ’t Wim, ook Frits en Frans zijn klante

Maar altijd is de and’re schim, de Franse gouvernante

 

Lieske

De gouvernante van de chanson is natuurlijk een karikatuur. Toen mijn grootvader jong was, hadden hij, zijn broers en zusters ook een Franse gouvernante. In de familie vonden ze het woord ‘gouvernante’ een beetje pretentieus, ze hadden het liever over een kindermeisje. Ze was nog piepjong toen ze in het Gelderse dorp aankwam en zich op het grote huis aandiende. Ze heette Elise. Later, toen ze herinneringen ophaalde aan de eerste tijd bij de familie, zei ze dat ze had gehuild, gehuild – j’ai pleuré, pleuré, pleuré! Mijn overgrootmoeder heeft haar toen flink bemoederd. Zo’n jong ding nog, zo ver weg van haar eigen familie. Ze was bij het personeel geliefd (dat spreekt niet vanzelf), de kinderen raakten erg aan haar gehecht, ze was de braafheid zelve, met de Franse – nee, niet frivoliteit, gewoon vrolijkheid. Ze is nooit meer naar haar vaderland teruggekeerd. Ze trouwde met een degelijke jonge timmerman uit het dorp. En binnen de kortste keren was ze ‘Lieske’.

 

 

Reageer