Het Frankrijk van vroeger

10 sep, 2019 Onderdeel van proses

Column door Caspar Visser ‘t Hooft

Mijn moeder ergerde zich aan de karikatuur die veel Nederlanders van Fransen maken, die van kleine boertjes die de hele dag in een café rondhangen en zich daar volzuipen met wijn. Mijn moeder kende het land goed, in 1950 raakte ze erop verliefd, dat was toen ze als jong meisje van drieëntwintig een jaar lang in Parijs aan het Ecole du Louvre studeerde. Sindsdien kwam ze er geregeld, temeer omdat halverwege diezelfde decade haar ouders huisjes kochten in de Dordogne, om daar vervolgens ieder jaar van april tot oktober te verblijven. Van het Frankrijk van die jaren kunnen we ons nauwelijks meer een voorstelling maken. Mijn moeder vertelde er zo nu en dan over, mondeling, of anders in brieven, mails…

‘Het Frankrijk van vroeger was niet zoals degenen die er nu over schrijven het ons doen voorkomen: “die gekke mensen in die kleine dorpjes”. De dorpen waren klein, maar de mensen woonden verspreid over het platteland – niet plat, maar heuvelig, en dat was waarom men lang geen tractors wou – of kon – gebruiken. Toen de boeren uiteindelijk daar wel toe overgingen was dat – dat vertrouwden zij mijn ouders toe – “om de kinderen ertoe te krijgen op de boerderij te blijven”. Die vonden het heerlijk om op zo’n ding te zitten en het lawaai van een motor te horen. De Een coöperative bestond nog niet. Dus elk zijn eigen tractor. De meeste kleine boerenbedrijven zijn nu verdwenen, de oude huizen zijn vakantiehuizen. Verlaten is de Dordogne zeker niet, maar wel ánders!’

In de nazomer van 1978 gingen mijn moeder en ik voor het laatst naar de Dordogne. Het ging om het afhandelen van de overdracht van ons vakantiehuisje in La Roque-Gageac waar we vijf à zes lange zomers hadden doorgebracht. We brachten een paar bezoekjes aan mensen die mijn grootouders nog hadden gekend. Een soort afscheid. Ik zie ons nog een in de grote keuken zitten van Madame Soulié. Ze was de weduwe van een rijke boer. Haar zoon runde nu het bedrijf. Madame Soulié genoot veel achting en gezag in de omgeving. Daarna bij Monsieur en Madame Roulland. Over het bezoek aan dit bijzonder vriendelijke echtpaar schreef mijn moeder later:

‘Toen we bij de Roullands waren vertelde ik haar – misschien weet je het nog – over het Spaanse meisje au pair dat ons, nadat ze alweer terug in Spanje was, een kerstkaart stuurde. De tekst was in het Frans, want toen ze bij ons was, sprak ze die taal. Ze schreef over jullie, de kinderen op wie ze had gepast: “J’espère qu’ils ont changé” (“Ik hoop dat ze zijn veranderd”). Ik was natuurlijk éven een beetje beledigd, ik dacht: “Zjjn ze dan niet goed genoeg?” Na enig nadenken kwam ik tot de conclusie dat ze had bedoeld: “Je pénse qu’ils ont changé” (“Ik denk dat ze zijn veranderd”). Het schijnt dat er destijds zelfs oorlogen zijn uitgebroken door verkeerd gebruikte woorden en vergissingen bij het vertalen. Ik weet niet meer hoe we er bij de Roullands op kwamen, maar ik vertelde dit als een grappig verhaal dat ze wel zouden begrijpen. Een frans taalgrapje, nietwaar? Geen reactie. Nou, dan nog maar eens, ze heeft het zeker niet goed gehoord. Weer niets – maar ineens een hartenkreet: “Je n’ai pas eu de l’instruction, je ne comprends pas….” (“Ik heb geen onderwijs gehad, ik begrijp het niet”). En toen begon ze meteen over haar kleinkinderen die wél hadden geleerd. Daar was zij trots op. Vroeger was dat niet zo. En daar zit je dan je hele leven mee. Nee, dat oude Frankrijk, dat was niet allemaal rozengeur. Toen opa en oma – mijn ouders – daar in het begin waren moesten de kinderen uren lopen naar school, in alle seizoenen. Je zag ze dan in rijen langs de weg. Opa zag een heel klein jongetje huilen, stopte en vroeg: “Qu’est ce qu’il a?” Het grote zusje: “Il est fatigué“. Opa nam vaak mensen en kinderen mee in zijn de Deux Cheveaux. Later kwam er een schoolbus, dat was de vooruitgang!’

En mijn moeder eindigen: ‘Dit over het oude Frankrijk: er is veel veranderd ten goede.’

 

Reageer