Wandelingen
28 Jul, 2010 Onderdeel van A proposPicardië
Toen ik in St Quentin woonde (wie woont daar nou? – ik dus) waren er drie plekken waar ik vaak kwam om te wandelen. Ik noem ze op. Ik wijd er niet over uit. Want dan wordt dit stukje te lang, met die lang uitgesponnen inleiding die het al heeft. Wie meer wil lezen over een van deze drie wandelplekkenn, die verwijs ik naar mijn eerdere column ‘Baksteen en pierre de taille’ Ik heb het daar over het pad rondom de hoge muren van de kasteel-ruïne van Coucy. Iets verderop, in het bos van St Gobain, heb je een eenzame valei met een paar zompige vijvers. Vroeger visvijvers, door monniken aangelegd. Ook een oude vervallen prieuré met een ronde toren (genaamd Le Tortoir) herinnert nog aan de tijd van deze broeders. Een plek waar ik graag met mijn hond kwam. Ja, net als in het bos rondom de abdij van Vauclair (een mooie, geheimzinnige bouwval – voor een schilderij van Caspar David Friedrich), gelegen tussen Laon en de chemin des Dames. Is er iets dat ik zoek in de omgeving van vervallen kloosters en abdijen? Een nagalm van gregoriaans gezongen nonen en metten? ‘t Is misschien net als bij mooie muziek, het moment van de grootste verrukking is het moment dat op de laatste noot volgt. Dan pas besef je hoe alle elementen die nodig waren om van het geheel een harmonie te maken hun plaats hebben gevonden. Nagalm…
Lotharingen
Na St Quentin woonde ik vijf jaar lang in Nancy. Daar wandelde ik met mijn hond in het grote stadspark dat zich achter de Place Stanislas uitstrekt: het park van de Pépinière met z’n kleine dierentuin compleet met apenrots (Gulliver, mijn hond, vond de apen eng) en berenkuil. Waar ik ook graag naar toe ging - maar dan moest je de auto pakken - was de ‘Franse’ kant van de Vogezen. Een vaste plek was het bos boven het stuwmeer van de Pierre Percée. Op een rots boven het meer staat het overblijfsel (een torentje) van het stamslot van de vorsten van Salm, die tot de Franse revolutie over een klein souverein prinsdommetje midden in het Vogezenmassief heersten. Zie hierover mijn column ‘Enclaves’. Een prachtige wandeling is ook de beklimming van de Donon (1000 meter). Ik hou van dennen. Een paar dennen, en ik denk aan mijn geliefde Zwitserland. Ja, een pluk dennen (kerstboomdennen) en liefst een stukje rots erbij en ik waan me in een soort voor-gebied van de hoge bergen. En soms ben je meer ergens in het voorgebied ervan dan in het ergens, dat wil zeggen het gebied, zelf. Zoals er soms – vaak – meer vreugde ligt in het verlangen naar iets, dan in de bevrediging van dit verlangen.
Lot-et-Garonne
In Noord Frankrijk, en vooral Oost Frankrijk heb je uitgestrekte bossen. Wandelplekken zijn er zo gevonden. In Zuid Frankrijk ligt dat anders. Er zijn minder bossen. En wat het open land betreft, het is altijd vàn iemand. Overal bordjes met ‘proprieté privée’, ‘défense d’entrer’, ‘chasse gardée’, ‘chien méchant’. De zes jaren dat ik in Agen woonde waren vette jaren, op het gebied van wandelplekken waren ze mager. Er was eigenlijk maar één wandeling: dat was over de brug (de pont canal) naar de overkant van de rivier, en daar over een pad langs het kanaal verder. Een mooie wandeling door het vlakke land van het dal van de Garonne, met zijn boomgaarden (de pruneaux d’Agen) en maisvelden. Links en rechts de heuvels (côteaux) met hun daken van plat uitgerekte cederkruinen.
Versailles
Ik hou niet van het park van Versailles. Teveel rechte lijnen. Ik kwam er vaak, want waar moest je anders naar toe? Ja, af en toe naar het zanderige Veluwe-achtige bos van Rambouillet – als je bereid bent veertig minuten te rijden. Dat bos is mooi. Je waant je al buiten de Parijse regio, wanneer je de te dure en afgelikte opgeknapte boerderijen (met electronisch bewaakte omheiningen) wegdenkt (als iets het mooie Frankrijk verpest…). Wanneer de westenwind door de parasolvormige kruinen van de ‘grove-dennen’ (pinus sylvestris) waait, dan doet hij zevenhonderd kilometer binnenlands de branding nog eens over.
Orange
Waar ik nu wandel ? Met Asterix (Asterix is de opvolger van Gulliver). Op de colline St Eutrope vlak boven Orange. Ja, een mooi wandelingetje met aan één kant de Ventoux en de bergen van de Drôme, aan de andere kant de eerste Cevennen. Een wandelinge-tje maar. Om nou vier of vijf keer het rondje te doen om er een echte wandeling van minstens anderhalf uur van te maken – nee… In de cederbossen boven Bédoin, op halve hoogte van de top van de Ventoux. Prachtig ! Nadeel: vijftig minuten met de auto. Ik zit hier nog niet zo lang. Ik heb nog de tijd om een échte favoriete en niet-te-verre wandelplek te vinden.
