Onontdekte ruïnes

14 aug, 2012 Onderdeel van paysages

Column door Caspar Visser ‘t Hooft

Wie is er niet jaloers op de generatie die aan de zijne voorafgaat ? Wat mij betreft, ze kunnen mooi zeggen: wij hebben de oorlogsjaren meegemaakt, en dat ware barre tijden. Of : toen wij jong waren, toen hadden we nog niet de helft van wat jullie nu allemaal hebben. Ja, ze hebben me dit mooi onder de neus te wrijven – en ik knik grif ja – toch blijf ik geloven dat zij op hun beurt dingen hebben meegemaakt die voor ons niet meer zijn weggelegd omdat ze sindsdien verloren zijn gegaan. Kortom, dat de werkelijkheid die zij nog kenden in zekere opzichten rijker was dan de onze. En tja, zo zijn we nu eenmaal : we kijken altijd naar wat we niet (meer) hebben, eerder dan naar wat we wel hebben (en dat anderen weer niet hebben, of niet hadden). Zo kon ik wel eens jaloers op mijn ouders zijn omdat zij een sprookjesachtige ruïne in de Dordogne hebben gekend toen die nog in geen enkele toeristengids voorkwam.

Commarque

Wat konden ze erover door-vertellen ! Hoe het in hun tijd (ik heb het over de jaren zestig) helemaal niet makkelijk was om het begin van het pad te vinden dat naar de ruïne leidde. Een pad door een donker bos, smal, op sommige plaatsen door bramen overwoekerd. En dan plotseling een wand die hoog oprijst, groen van de klimop. Hier en daar zijn donkere stenen zichtbaar. De bouwvallen van een groot slot dat eens aan een van de machtigste baronnen van de Périgord toebehoorde. Mijn vader was geen spraakzaam man, maar over kastelen raakte hij niet uitgepraat. Over geheime gangen, onderaardse gewelven, geheimzinnige putten, oubliettes – en natuurlijk spoken ! In 1977 werd in en om de ruïne van Commarque een film gedraaid, The duellists, naar een novelle van Joseph Conrad. En sindsdien was het met de slaap vol groene dromen waarin Commarque sinds eeuwen, als een Doornroosje van steen, verzonken was geweest gedaan. Toen wij, de volgende generatie, voor het eerst Commarque bezochten was het pad erheen keurig met paaltjes afgezet, een brede allee voor de buitenlandse toeristen en lokale dagjesmensen die even de de site kwamen doen. Ik weet niet meer of je moest betalen. Het zal wel. Je zal maar ergens geen geld uit slaan ! Bij de gedachte alleen al worden sommige prozaïsche mensen woedend. Goed, de ruïne was nog steeds mooi, keurig schoongemaakt. Afgelikt – vond mijn vader.

Nideck

En sindsdien ben ik altijd, waar of ik ook in Frankrijk kwam te wonen, op zoek gegaan naar ‘de onontdekte kasteelruïne’. Vinden deed ik hem niet. Onontdekte ruïnes zijn er niet meer, of ze hebben dusdanig weinig meer om het (stenen) lijf dat ze de naam kasteel niet verdienen. Niet zeuren ! Niet zeggen : over onontdekte dingen kan een mens niets zeggen, dus ook niet dat ze niet bestaan. Dat is een illogisme. Weet ik heus wel. Toch vind ik het aardig om het woord onontdekt te blijven gebruiken. Een onontdekte ruïne is een ruïne waar geen of weinig toeristen komen. Want toeristen zijn lieve mensen – en wat ben ik zelf, tijdens mijn vakanties, anders dan een toerist ? – maar van hen geldt dit ware woord van de dichter Coleridge : Fools rush in where angels fear to tread. Wat ik echter voor heb op veel (andere) toeristen, is dat ik het hele jaar door in Frankrijk woon. Ik kan daarom bepaalde plekken bezoeken op momenten dat niemand anders dat doet, buiten de vakanties om bijvoorbeeld, of bij bepaalde weersgesteldheden. Misschien is de meest sprookjesachtige ruïne die ik ken die van de Nideck, in de Vogezen. Ik zie me staan, met mijn hond, op het hoogste gedeel van een stenen toren. Boven een egaal grijs wolkendek. Om me heen donker beboste hellingen. Beneden de met planten begroeide stenen van de middeleeuwse bouwval. Hoor ik het geluid van de waterval, in de diepte ? De bekende cascade du Nideck ? Of is het een vochtige windvlaag die door de sparren ruist ? Ik heb een hekel aan het woord romantisch. Het woord wordt te vaak, te pas en te onpas, door onbeschaafde mensen gebruikt – mensen die geen nuances weten aan te brengen in dat deel van de werkelijkheid dat de botte materie overstijgt. Alles wat niet ‘concreet’ is, wordt ‘romantisch’. Toch wil ik hier een uitzondering maken. De Nideck is – ja, een romantische ruïne. Waarom ? Omdat het voorkomt in een gedicht van een grote dichter uit de tijd van de romantiek (het woord romantisch duidt oorspronkelijk op een stroming in de literatuur en de schilderkunst) : Adalbert von Chamisso. En de strofen van dit gedicht zijn op een koperen bordje gegrift dat naast de rondgewelfde ingang van de ruïne is aangebracht. In de tijd dat de Elzas Pruissisch gebied was (tussen 1870 en 1918). Dat maak ik op uit de gothische letters.

Burg Nideck ist im Elsaß der Sage wohlbekannt,
die Höhe, wo vorzeiten die Burg der Riesen stand;
sie selbst ist nun verfallen, die Stätte wüst und leer,
du fragest nach den Riesen, du findest sie nicht mehr.

Het gedicht verwijst naar een oud sprookje, dat ook bij Grimm voorkomt : het sprookje van het reuzenspeelgoed. Op de Nideck woonde eens, lang geleden, een reuzengeslacht. Op een goede dag liep het dochtertje van de reus rond door het omringende land. In het dal, beneden, werd ze bij haar voeten allemaal kleine wezentjes gewaar die druk in de weer waren. Ze liepen achter minuscule paardjes aan die ploegijzers voorttrokken. Ze vond dit zo grappig, zo schattig, dat ze een van de mannetjes, met paard en ploeg en al, oppakte. Ze legde het speelgoed voorzichtig in haar hand, en ze liep ermee naar huis. In de grote zaal van de Nideck zette ze haar vondst op een grote tafel om het aan haar vader, de reus, te laten zien. Hij zag het, en hij zei tegen haar : Dit is geen speelgoed, breng het terug naar waar je het gevonden hebt. Het is een boer die het land bewerkt. Zonder de boeren waren wij reuzen niets.

Wie zijn de ‘boeren’ die voor ons werken, en zonder wie wij niets zijn ? En hoelang willen ze nog voor ons werken ? Die mensen in Thailand, die speelgoed voor ons maken ?

Fère en Tardenois

Andere onontdekte ruïnes ? Ik denk aan een kasteel in een streek waar haast nooit eeen toerist zijn neus laat zien. De streek ligt tussen Soissons, Château-Thierry en Reims. Hij bestrijkt het zuidelijke gedeeltje van het departement van de Aisne. De oude naam van de streek is Tardenois. Het land glooit er zachtjes, is op plekken zanderig en dicht met eiken en grove- en zwarte dennen begroeid. Bosssen voor paddenstoelenzoekers en voor mensen die van bosbessen houden. In een van die bossen staat een prachtige ruïne, restant van een merkwaardig kasteel dat gebouwd werd door een lid van een van de oudste Franse geslachten, de Montmorency’s. Een kasteel in de meest zuivere renaissancestijl, waarvan de resterende torens oprijzen vanuit een achthoekig plateau dat van alle kanten door een diepe gracht zonder water wordt omgeven. Het meest markant is een lange stenen brug die over deze droge gracht is gespannen : een soort aquaduct op stenen pilaren, die samen even zoveel romaanse bogen vormen, met erop stukken muur met vierkanten ramen. Ja, je hebt in Frankrijk streken waar iedereen alleen maar zo snel mogelijk langs rijdt. De Tardenois, bijvoorbeeld (en ook de aangrenzende Valois), het is te ver van Parijs voor mensen die er werken en die toch buiten willen wonen, het is te dicht bij Parijs voor Parijzenaars die tijdens hun vakanties ‘eruit’ willen. Het is te dichtbij Nederland voor mensen die het in-hun-ogen echte Frankrijk opzoeken, het is te ver van Nederland voor mensen die een dagje willen toeren. Juist in die streken kom je nog wel eens onontdekte ruïnes tegen. O ja, de Tardenois is de streek van de schrijver Paul Claudel. Romantisch kun je hem niet noemen, wel een beetje mystiek. En het is gek, die ruïne van Fère en Tardenois had voor mij iets bijna mystieks. Maar misschien komt dat omdat ik er eens naar toe ging toen er sneeuw lag. Stilte, een harde bodem die onder je voeten knerpt (sneeuw op bevroren blad), een witte massa die vanaf een kale tak naar beneden stort en die al gaande poeder wordt, en dan daar – afstekend tegen een loden hemel – de restanten van dat prachtige pronkkasteel…

La Ferté-Vidame

Nog een, en dan hou ik op. Ik wou bijna zeggen : En dan naar bed. Net als mijn vader, wanneer hij met zijn laatste kasteel-met-spook-verhaal voor den dag kwam. Ditmaal een ruïne die zich aan de andere kant van Parijs bevindt, in het Westen, op een bijna even zo grote afstand ervan. Ik reed over de nationale weg die Alençon en Dreux met Parijs verbindt. Je hebt daar een mooi stuk, dat is wanneer je door de heuvelachtige Perche rijdt. Op een gegeven moment zie ik een bordje langs de weg : rechts La Ferté-Vidame. De naam komt me bekend voor. Stond daar niet het kasteel van St Simon, de grote, ongewild zeer geestige kroniekschrijver van het hof van Lodewijk IV ? Klopt. Alleen het kasteel waar je na de afslag recht toe-recht aan op af rijdt is niet meer de oude middeleeuwse burcht waar hij af en toe resideerde (niet vaak omdat buiten het hof alles lege woestenij was), maar – wonderlijke gewaarwording ! – een heus paleis in Versailles-stijl. Althans, wat er van over is : een façade met aan beide zijden van een klassicistisch fronton, op twee-drie verdiepingen, een zeer aanzienlijke reeks hoge ramen. Door de ramen-zonder-glas heen kijk je op het park achter. Bepaald indrukwekkend, vooral de wijde ruimten, voor, achter en opzij van de ruïne, en de perfecte symmetrie van het geheel. Op een bordje las ik dat een telg van het geslacht St Simon het kasteel aan een zekere Jean-Jacques de Laborde verkocht, die een rijke financier was. Deze Laborde sloopte het middeleeuwse kasteel om er dit kleine Versailles voor in de plaats neer te zetten. Omdat een neef van de koning zijn zinnen op La Ferté Vidame zette, liet op een zekere dag de koning aan Laborde weten dat hij zijn kasteel aan die neef moest verkopen. Koninklijk bevel. Tja, in die tijd bestond er blijkbaar nog een centraal gezag waar bankiers en speculanten zich naar hadden te voegen ! Een centraal gezag dat trouwens door de revolutie alleen maar werd versterkt, al moesten toen wel de koning en ook die neef van hem eraan geloven. Het kasteel werd door de plaatselijke boerenbevolking verwoest. Ze hadden te lang voor hun meesters gewerkt, en men had hen er te weinig om gewaardeerd.

Ach ja, et sic transit gloria mundi. Ruïnes wijzen ons op het tijdelijke van wat wij mensen voortbrengen. En daarbij kun je ook stellen dat bouwsel alléén vervreemdend is en enkel natuur meedogenloos. In ruïnes vermengen ze zich. Een soort verzoening.

  1. 4 Reacties op “Onontdekte ruïnes”

  2. Door Renée Vonk op 14 aug, 2012

    Een kleine opmerking over je eindconclusie. Je stelt: ‘Een soort verzoening.’
    Ik vind het meer een verwurgende doodsgreep van de natuur die de ruïne -zijns ondanks- overeind houdt. En zodra zij die greep loslaat, valt de ruïne in brokstukken uiteen, verwordt tot het stof waaruit hij ooit is opgetrokken, en wordt weer onderdeel van die natuur. Lijkt me meer een overwinning van de meedogenloze natuur dan een verzoening.

  3. Door De Schrijver in Frankrijk op 14 aug, 2012

    Ach, we hebben al zoveel van de natuur afgepakt, de natuur (die op zichzelf genomen inderdaad meedogenloos is) mag van mij heus wel wat terugveroveren. Zolang het maar om enkel stenen gaat waarin toch niemand meer wil wonen. Maar je hebt natuurlijk gelijk, mijn laatste stelling moet met een flinke korrel zout worden genomen. Ik laat mijn gedachten zomaar wat de vrije loop – liberté poétique…

  4. Door Renée Vonk op 14 aug, 2012

    Wellicht moeten we ons af en toe realiseren dat ook wij onderdeel uitmaken van die natuur, en er niet zo meedogenloos mee omspringen. Dan ontstaat er vanzelf meer harmonie, en wellicht zelfs iets van verzoening.

  5. Door Sonja Vetter op 15 aug, 2012

    Wat een leuk verhaal over die ruines. We wonen inderdaad niet al te ver van de Tardenois en nu ben ik geinspireerd om daar te gaan kijken. Ik vind het overigens heerlijk dat dit nog niet toeristische streken zijn.

Reageer