Te eten bij Victor en Fernande

18 nov, 2008 Onderdeel van paysages

Column door Caspar Visser ‘t Hooft

Een drama ! Tricotet heeft niet geslacht! Ce matin, il n’avait pas encore tué. De moeder van Colette is in alle staten : voor vanavond hebben we niets te eten. Il n’y a rien pour le dîner, ce soir.  De rest van het gezin probeert haar te soezen en komt met redelijke voorstellen. Vader zegt: “Dan eten we rauwe tomaten met veel peper.” De oudste broer heeft het over rode kool in wijnazijn. De jongste over chocolade. Colette zelf danst van enthousiasme  – schrijft ze; ze oppert pommes de terre frites en noten met kaas. Maar moeder vindt dat van dit alles geen echte maaltijd valt te maken. Waarom niet? “Stel geen domme vragen!” En moeder besluit zelf naar de slager te gaan  Ik begrijp hieruit dat Tricotet de boerderij van de familie beheert, en dat hij op gezette tijden varkens en kalveren slacht, en daarvan stukken aan de familie komt leveren. Vandaag liet hij verstek gaan. Moeder komt even later terug met de schouder van een schaap – épaule de mouton – die ze snel aan de keukenmeid overhandigt – pour la mettre au feu. Een maaltijd zonder een goed stuk vlees, dat is geen maaltijd. Deze episode uit La maison de Claudine – dat prachtige boek met jeugdherinneringen van Colette – doet mij denken aan Victor en Fernande, twee oude mensen, die mijn overburen waren toen ik nog een klein boederijtje bezat, in een dorp, genaamd Herran, gelegen in het voorgebergte van de Pyreneëen. Aan Victor en Fernande en aan wat je bij ze at…

La maison de Victor et Fernande

Ik heb het al eens over ze gehad, op de site van La Vie en France (http://www.la-vie-en-france.nl/), onder de titel “Een ceder teveel”. Victor en Fernande waren broer en zus, allebei ongetrouwd. Ze woonden in hetzelfde huis als waar ze zo rond 1920 voor het eerst het levenslicht zagen. Hoe een gezin van tien hoofden en hoofdjes destijds in dat paleis onderdak vond? Met daarbij de gebruikelijke hofhouding van dieren: geiten, konijnen, kippen, honden, poezen… Op de begane grond voor: een kleine woonkamer die tegelijk dienst deed als eetkamer, een klein keukentje, een slaapkamer voor Fernande (met een groot bed, bol van de donzen duvets, waar ze soms dagen achtereen oplag, wanneer ze gezwollen benen had), een kleine slaapkamer voor Victor. Beneden, in wat onder de woon-en-eetkamer een kelder was, en achter uitkwam op een stijl aflopende helling, de ruimte waar Victor zijn gereedschap had staan en zijn konijnenhokken. “O vroeger, toen waren we de hele dag buiten. Ieder zijn eigen kamer, dat kenden we niet. In de zomer sliepen we beneden, in het hooi.” En wat of ze aten? Dat was de soupe de Herran. Een grote pot boven het vuur, waar moeder telkens nieuwe dingen in deed: stukken spek, brokken eendenvet, aardappelen, wortels, kolen en stukken knol,  prei, uien, knoflook, op maandag de resten van het déjeuner du dimanche. De pot was nooit leeg, werd elke dag bijgevuld. En wat rook het lekker, als je thuiskwam!

Soupe de Herran

En wat rook het nog steeds lekker wanneer je bij ze kwam eten, bij Victor en Fernande. In die gezellige woon-en-eetkamer, waar eigenlijk alleen maar plaats was rond de grote tafel in het midden. Of je moest in de luie fauteuil, naast de gietijzeren kachel (waarin altijd een vuurtje knapperde) en voor het grote televisiescherm (aan) gaan zitten. Maar daar zat altijd wel een of andere poes of  poedel op, op een dekentje. En Fernande had mooi kijven tegen dat beest (“ééééh, descends de là! Sale bête!“), het bleef doodgemoedereerd zitten. En dan zei je maar – heel goed wetende dat Fernande dat van je verwachtte: “Nee, ik zit liever meteen aan tafel”. En je was nog niet aangeschoven, of Fernande kwam al met de pan uit het keukentje aanlopen. De soupe de Herran. Even dik en warm als onze erwtensoep, maar toch anders. Victor was naar beneden gegaan om een jerrycan vol zure, waterige wijn te halen. Maar ik moest al beginnen. Wanneer Victor boven kwam, en hij voor mij en hemzelf de glazen inschonk, was ik volgens Fernande aan een tweede bord toe. De eerste keer dat ik bij Victor en Fernande kwam eten knikte ik zelfs ja toen Fernande mij voor de derde keer opschepte. Ik dacht dat het bij die soep zou blijven. En drie borden, dat was al meer dan genoeg. Mon pauvre ! Die soep, dat was maar een voorgerecht, een smaakmaker. Niets om over naar huis te schrijven. Die soep, die at je elke dag, wanneer het geen zondag was, en wanneer je geen mensen bij je had. Wanneer er mensen waren, dan gaf je ze… vlees! Ja, want zonder vlees is een maaltijd geen echte maaltijd, maar alleen maar eten…

Vlezen

En toch, ik had het kunnen weten. Want wat had daar de hele tijd in het keukentje zitten pruttelen, sissen, zingen? Dat gespetter, die droge, kruidige baklucht, die blauwe nevel. Het begon met een grote gebraden slingerworst. Daarna een eendenbout. Op een bord, midden op tafel, een paar plakken witte bloedworst. Daarna voor Victor en voor mij elk twee, drie schaapskoteletten. En of ik ook nog van de eigengemaakte terrine de lapin (konijnenpaté) wilde proeven. En bij dit alles geen groente, en geen aardappelen-rijst-of-macaroni. Niets. Alleen maar vlees. En wijn, want wat krijg je een dorst van al dat gebraad! Ja, ik moet aan deze pantagrueleske maaltijden in dat huisje in de Pyreneëen terugdenken wanneer ik de moeder van Colette vertwijfeld hoor uitroepen dat ze die avond moeten vasten omdat er geen vlees is. Wel van alles anders, maar geen vlees. “Dan eten we toch…” “Hou je mond!”

Niet zeuren!

Stel dat ik die vleesspijzen had gewijgerd. “Teveel”. Of: “Ik ben vegetarisch”. Ik moet er niet aan denken. Ik had Victor en Fernande niet dodelijker kunnen beledigen. Of gesteld dat ik met doctrinair-ideologische flodderpraatjes voor de dag was gekomen, en ik erop had gewezen dat het tegenwoordig niet meer aangaat dat de vrouw des huizes staande bedient, en de mannen zich dit laten aanleuen en blijven zitten. Want dat deed ze, Fernande: niets anders dan op en neer sloffen nààr het keukentje, terug uit het keukentje, opscheppen, met gekruiste armen achter de stoel van Victor staan, om te verifiëren of ik eerlijk zat te eten. Pas aan het eind van de maaltijd, na de eigengemaakte vruchtentaart, de compôte, de chocolaadjes en de koffie,  kwam ze even aanschuiven, voor een canard – dat is een suikerklontje gedoopt in een glaasje Prune (pruimenbrandewijn). Want zo ging dat vroeger op het platteland. Zo had de tachtigjarige Fernande het altijd gedaan. Wat zou ik haar de les gaan zitten lezen? Ze wist trouwens heus wel haar mannetje te staan, onze Fernande. Tien keer beter dan veel zichzelf ontplooïende en wortels-en selderijstengels etende vrouwen uit Elle of Margriet. Nee, bij Victor en Fernande moet je niet komen zeuren. Gewoon eten. Heerlijk eten. Meer hoeft niet om er tweede goede vrienden bij te krijgen.

  1. 3 Reacties op “Te eten bij Victor en Fernande”

  2. Door Molière op 28 nov, 2008

    Om van te watertanden.

  3. Door Yvonne op 30 nov, 2008

    Soupe de Herran… mijn gedachten gaan meteen terug naar de opmerkelijke boerin Renée Bagelet in de omgeving van Moissac. Ze wordt de dernière bouvière Francaise, de dernière paysanne genoemd. Toen ik haar dit voorjaar opzocht in haar kleine boerderijtje in de Pyreneeën kookte zij haar soupe in een ‘heksenketel’ boven het open vuur in de keuken, precies zoals hierboven zo mooi is verwoord…

  4. Door de schrijver in Frankrijk op 3 dec, 2008

    Ja, we hebben het over mensen die als een soort “laatsten der Mohicanen” zijn te beschouwen. Binnenkort is er alleen nog maar de herinnering. Victor en Fernande zijn een paar jaar geleden kort na elkaar overleden. Helaas! Uw site (www.ontmoetingeninfrankrijk.nl) – met die prachtige fotos van Frankrijk – staat nu op linkenlijst.

Reageer