Duizend kamers
9 feb, 2026 Onderdeel van prosesColumn door Caspar Visser ’t Hooft
De file begon vijftien kilometers ten noorden van Limoges. Het was hartje winter. Om half zes ’s avonds is het dan al nacht. Aan weerszijden van de weg – de A20 – hadden verschillende nuances zwarte vlekken elkaar afgewisseld, bossen, hellingen, een gebouw, een schuur… Alleen de sneeuw gaf een schimmig licht af – wat je maar terloops merkte, gehinderd als je werd door koplampen van tegenliggers. En door de achterlichten van de auto voor me die plotseling op rood sprongen. Remmen! Dat wil zeggen voorzichtig remmen – derde versnelling, tweede, eerste – we staan stil… Ik kijk in mijn achteruitspiegeltje – ja, ook mijn achterligger. En ’t is bizar, die stilte. Of nee, er is nog steeds het doffe geluid van de tegenliggers op de andere rijbaan. Die rijden gewoon door, vol leedvermaak, haha! Waar ben ik? Aan mijn rechterhand, even verderop, een zwarte bosrand. Links, voorbij het tegemoetkomend verkeer, boven een rotsige verhoging in het land, een muur. Ik kan het einde ervan niet ontwaren, ook de bovenkant niet. Alleen de onderkant baadt in het schijnsel dat de autolampen afgeven. De muur is zo-te-zien oud, opgetrokken uit natuursteen. Een blinde muur? Nee, er is één raampje in uitgespaard, in de hoogte, daar waar het zwart het overneemt van het vale schijnsel. ’t Is dat erachter een lichtje brandt. Een lichtje als van een kaars, een lichtje dat beweegt, dansende schaduwen…
Lees verder »





