Taalgrensgebieden

28 mei, 2019 Onderdeel van paysages

Column door Caspar Visser ‘t Hooft

Streken die tussen een landsgrens en taalgrens liggen, ik heb daar altijd een voorkeur voor gehad. Zo’n streek is de Elzas. De streek ligt in Frankrijk, maar er wordt nog steeds een Duits dialect gesproken. De landsgrens volgt de loop van de Rijn, de taalgrens de kam van de Vogezen. Ja – en wat me nog meer fascineert, dat zijn gebieden (vaak gebiedjes) waaruit een taal zich heeft teruggetrokken, maar waar de plaatsnamen nog aan deze verdwenen taal herinneren. Zo heb je in de Vogezen een dal waar tot op zoveel meter hoogte het ‘Elsässisch’ wordt gesproken en ook de namen van de dorpen, de bergen, de bekens, de kasteelruïnes van Germaanse oorsprong zijn: Mutzig, Niederhaslach, Nideck, Lutzelhouse. Maar kom je nog hoger, dan blijkt alleen nog het Frans de voertaal te zijn. En toch blijven de topografische aanduidingen Duits klinken: Schirmeck, Waldersbach, Solbach. Ja, grappig zoals talen bewegen, als bij eb en vloed. En zoals sommige namen als fossielen achterblijven wanneer een taal-zee zich terugtrekt… 

Alpen

Wat opvalt is dat deze taalgrensgebieden veelal in de bergen zijn te vinden. Dit spreekt eigenlijk vanzelf. Bergketens zijn natuurlijke grenzen. Zo heb je aan de Italiaanse kant van de Alpen het val d’Aoste. De bevolking spreekt er nog Frans. En wat de plaatsnamen betreft, denk alleen al aan zulke wintersportoorden als Courmayeur en La Thuile. In het noordoosten van het val d’Aoste heb je trouwens een afgelegen dorp dat Gressonay-Saint Pierre heet. Ook dit klinkt Frans, maar is het niet. De oorspronkelijke naam was Greschòneytitsch, en dat is ‘Walser’, het Duitse dialect dat in het Zwitserse kanton Wallis wordt gesproken. Via een hoge bergpas is Gressonay met het Zwitserse Zermatt verbonden. Het dorp kreeg bekendheid toen in de 19e eeuw de Italiaanse koningin er een kasteel liet bouwen. Ze kwam er van de hoge lucht genieten.

Pyreneeën

Ook de taalgrens tussen Frankrijk en Spanje zit vol rafels. In een streek aan de voet van de Pyreneeën, waar ik geregeld verblijf, heb je gehuchten met zulke namen als La Mouhère en La Herrère. Dat komt van het Spaanse Mujer (vrouw) en Herreria (smederij). Op een heuvel in de buurt troont de ruïne van het kasteel van Montespan. Montespan, verbastering van ‘Mont d’Espagne’. De bekende maîtresse van Lodewijk XIV was ‘Madame de Montespan’. Haar wettige echtgenoot, die ze in alle openbaarheid bedroog, was namelijk markies van Montespan. Hij schijnt trouwens nooit zijn kasteel in de verre Pyreneeën te hebben bezocht. De familie bleef liever in Versailles de hielen likken van de koning – en dat niet alleen.

Westhoek

Het meest noordelijke deel van Frankrijk heet ‘Westhoek’. We hebben het over de stad Duinkerken met achterland. Dit zal binnen afzienbare tijd ook wel zo’n gebied zijn waar men een bepaalde taal spreekt maar waar de plaatsnamen hun oorsprong vinden in een andere. Het Vlaams dat men er tot halverwege de vorige eeuw nog sprak, is hard bezig te verdwijnen. Dunkerque, Cassel, Wormhout, Steenvoorde – ja, taalfossielen. In de vroege Middeleeuwen schijnt de taalgrens trouwens zuidelijker te hebben gelopen. Tot even ten noorden van Arras en Douai heb je dorpen met namen die eindigen op -hem: Floringhem, Westrehem, Ginnehem, Corbehem. Hier praat men sinds mensenheugenis alleen maar Frans (weliswaar met het typische ch’ti dialect), toch komt -hem van het Germaanse -heim.

Liefde voor taalgrensgebieden

Waarom deze voorliefde van mij voor rafelige taalgrenzen? Misschien omdat ik tussen mijn vierde en tiende jaar even onder Brussel woonde, vlak op de Vlaams-Waalse taalgrens. Vanuit het raam van onze zitkamer keken we uit op een uitgestrekte wei in de vorm van een trechter. Beneden liep een klein modderig stroompje, op de hellingen links en rechts graasden koeien, het geheel werd door een coulisse van lindenbomen omzoomd. Wanneer mijn ouders naar links wezen, zeiden ze: Daar ligt Sept Fontaines. Wezen ze naar rechts, dan was het: Daar ligt Huizingen. Het ging in beide gevallen om wandelgebieden (met bijbehorende speeltuinen). Het was het doel van menig zondags uitstapje. Mijn ouders hadden het trouwens afwisselend over het Zoniënwoud, en het Forêt de Soignes. Dat is het grote bos (laatste overblijfsel van het ‘kolenwoud’ dat in de oudheid heel België en Noord-Frankrijk bedekte) dat aan de overkant van de chaussée de Waterloo begon, de straat waar onze dreef (‘drève’ – in het Frans) op uitkwam. In het naburige Waterloo spreekt men trouwens Frans: Ouatèreloo.

 

 

Reageer