Baksteen, natuursteen

8 apr, 2008 Onderdeel van paysages

Column door Caspar Visser ‘t Hooft

Ik was dusdanig onder de indruk toen ik eindelijk de voorzitter van regionale raad van de Eglise Réformée de France aan de lijn had, dat ik niet verder durfde te vragen. Ik wist toen al – dat hadden ze me tevoren schriftelijk laten weten, dat ik in aanmerking kwam voor een post van hulp-dominee, maar waar? – op welke plek? – daarvan had ik geen flauw idee, want die informatie zou nog volgen. St Quentin en… Ik verstond “Lens”, maar helemaal zeker was ik niet. Ik leg de hoorn op de haak, ik kijk op de kaart. Lens – maar dat ligt op wel tachtig kilometer van St Quentin vandaan! Goed, beide plaatsen bevinden zich in hetzelfde Noord Frankrijk, maar toch… Ik wist ook dat sommige protestantse gemeenten in Frankrijk enorme gebieden bestrijken, zodat je daar als dominee meerdere oorden hebt te bedienen. Omdat daar de protestanten in de verstrooiing leven. Toch leek me de afstand tussen St Quentin en Lens wel erg groot. Waarbij komt dat tussen beide plaatsen twee andere grotere steden liggen: Cambrai en Douai.. Horen die er dan soms bij, bij die éne gemeente? Of horen die er niet bij, en is Lens als een soort Baarle Hertog – een enclave van St Quentin midden in een andere gemeente? Vreemd allemaal… 

Niet Lens (met een s) maar Laon (zonder s)

Het bleek niet Lens te zijn, maar Laon. Je spreekt het hetzelfde uit, maar zonder de s. Hoe het kwam dat ik een s had opgevangen? – had er in de telefoon opeens ruis gezeten? In ieder geval – ik opgelucht. Niet omdat Laon (zonder s), dichterbij St Quentin ligt dan Lens (met een s). Want dat leek me nu juist zo fijn, grote afstanden te moeten afleggen, van de ene afspraak naar het andere, van het ene kerkje naar het andere. Rijdend door het Franse landschap. Nee, ik was opgelucht omdat ik nu pas het idee had echt naar Frankrijk te gaan. En dat was per slot van rekening wat ik wilde, naar Frankrijk gaan. Want St Quentin, dat was voor mijn gevoel nog niet echt Frankrijk. Wie kent niet St Quentin? – Van het traject met de trein naar Parijs (ik heb het over de tijd van voor de Thalys)? In St Quentin, daar maakte de trein een stop. Een lelijk station, opgetrokken uit vuile baksteen. Net als de rest van de stad, voor zover je het vanuit de trein kon zien. Ja, baksteen (briques), dezelfde als in Nederland en in België. En als in St Quentin nog alles baksteen is, hoeveel meer zal dan alles baksteen zijn in Lens, dat noordelijker ligt dan St Quentin – dacht ik. Was ik nu hulpdominee geworden van St Quentin met Lens (met een s) erbij – nee, dan had ik eigenlijk evengoed in Nederland kunnen blijven. Ik die naar Frankrijk wilde was dan terecht gekomen in een soort vaag no-mans-land, uitloper van Nederland en België – no-mans-land waar alles roodbruin ziet van de baksteen en dat saai en plat is op de koop toe. “Lijkt wel Groningen – hier,” zei eens iemand over de streek rondom St Quentin. Ik was waarschijnlijk toch gegaan, want roeping is roeping – maar toch…

Maar het was niet Lens, het was Laon. En vanuit het Noorden gezien is dat de eerste stad waar de gehouwen steen overheerst. Mooie, witte pierre de taille. Hier begint het echte Frankrijk. En hier wordt ook het landschap heuvelig, en beginnen de bossen…

St Quentin – Laon

Ik woonde in St Quentin, maar mijn werkterrein strekte zich uit tot voorbij Laon en ook Soissons. Mijn gemeente had daarom de vorm van een ruit. En deze ruit was horizontaal in twee driehoek-vormige helften opgedeeld: een driehoek met de punt naar boven – dat was het noordelijke gedeelte van mijn gemeente, het “Groningen” rondom St Quentin. En een driehoek met de punt naar beneden. Dat was het zuidelijke gedeelte van mijn prinsdom. Laon, Soissons en Chauny waren de drie punten van deze driehoek, met midden in de driehoek het hoge, geheimzinnige bos van Saint Gobain. Bijna dagelijks reed ik rond in deze ruit die mijn gemeente was, mijn koninkrijk – en als ik eraan terugdenk, wat vond ik dat rondtoeren heerlijk! Die ruimte om me heen! – voor mij die uit het hutje-mutje-op-elkaar van Nederland kwam. En het was daarom ook haast elke dag dat ik een grens overging: de grens tussen het niet-helemaal echte Frankrijk en het echte Frankrijk. Als je vanuit St Quentin naar Laon reed, dan was dat even voorbij La Fère. Daar begint het landschap plotseling flink op te glooien, daar begint ook het bos, en als je even verder een klein weggetje naar rechts inslaat, dan bereik je na een kleine drie kilometer een grote open plek in het bos met in het midden een vervallen middeleeuwse prieuré (een hoofdgebouw met zijbeuken, een kapel, stallen, een toren met schietgaten) – ja, opgetrokken uit grote, blokvormige, zandkleurige en een beetje verweerde pierres de taille. We zijn in Frankrijk! In het Frankrijk van de romaanse kerken van de Poitou en de Auvergne, van de cisterciënzer abdijen van de Champagne en de Limousin. Hoe vaak heb ik daar niet gewandeld met mijn hond! Een heuvel op – en ziedaar, tussen de bomen door, in de verte: Laon, op zijn tafelberg – la montagne courronnée. Eens hoofdstad van de karolingen-koningen.

St Quentin  – Soissons

Als je vanuit St Quentin richting Soissons koerst, dan wordt de grens door de top van de brede heuvel boven de Oise bepaald. Een paar kilometer verder over dezelfde D1, en links in het bos: het kasteel van Folembray (waar zich de bekende roman van Vialar afspeelt, “La grande meute” – verplichte lectuur voor wie van honden houdt), en even verderop, op een andere tafelberg, de burchtruïne van Coucy met zijn gigantische donjon (eens de grootste van heel Frankrijk). En als je mensen te logeren hebt, en je een tochtje met ze maakt – als je dan voorbij Coucy komt, dan leg je ze uit dat in de Middeleeuwen de heren van Coucy de machtigste leenheren van Europa waren. Zo machtig dat ze het volgende trotse devies boven hun wapen hadden gezet: Empéreur ne suis, ni roi, ni prince. Je suis le sire de Coucy.

Oude geschiedenis. Uit de bossen waait een geur van hars en rottend blad aan. Ook het schelle, klagende geluid van een verre jachthoorn, van blaffende honden. In de herfst krijg je in de restaurants wild voorgeschoteld – bij een glas zware Bourgogne. Buiten verspreidt zich stilletjes de blauwe nevel van een of ander houtvuur. Coucy – het kan overal in Frankrijk zijn.

Grenzen binnen de grenzen

En zo zijn er meer “grenzen” binnen de grenzen van Frankrijk. Over de grens die door de overgang van de brique naar de pierre de taille wordt bepaald hebben we het gehad. Maar wat te denken van de uivormige kerktorens die plotseling in de plaats van de spitsen komen wanneer je je in de richting van oostelijk Midden-Frankrijk begeeft? Je hebt het oude Franche-Comté bereikt, een streek die vroeger niet van de Franse koningen afhing, maar van de Oostenrijkse Habsburgers (in Oostenrijk vind je dezelfde uien op de kerken). Of wanneer je vanuit de Périgord naar het Zuiden reist: plotseling is het steile dak (in de Dordogne erg steil) door het platte dak van de Midi vervangen, daar waar de mensen niet meer pain zeggen, maar peng. En zo heb je bruuske overgangen, en ook minder bruuske overgangen, en soms heel geleidelijke overgangen. Om maar te zeggen: ja, wat is het toch heerlijk, dat rijden over de Franse wegen! – wanneer je er de tijd voor neemt. En je niet in zo min mogelijk tijd het een of andere rijke-prollenoord aan de côte wilt halen. (“Goh – nou, ik heb het in tien uur gedaan”)

En wat St Quentin betreft, en Noord Frankrijk in het algemeen – daar waar alles baksteen is, nu, na achttien jaar wonen in Frankrijk – nu is het voor mij geen uitloper meer van een Nederland en België waar ik me aan erger, maar maakt het wel degelijk deel uit van die prachtige, wijde en golvende lappendeken genaamd Frankrijk. Waaruit eens te meer blijkt dat alles afhangt van het punt van waaruit je de dingen beziet…

Reageer