Opstand in de FNAC

17 apr, 2008 Onderdeel van plaisanteries

Column door Caspar Visser ‘t Hooft

De FNAC’s zijn oorden van verschrikking ! Als ik een boek oppak, dan wil ik rust om me heen. Dan wil ik niet het smakkend geluid van kauwen op kauwgom aan m’n hoofd, afkomstig van een of ander jong wezen dat langssloft op weg naar de afdeling computerspelletjes. Dan wil ik niet dat onopgevoede kinderen schreeuwend tegen mijn benen botsen – en een moeder die niets zegt omdat ze van me verwacht dat ik het schattig vind. Dan wil ik niet lastig worden gevallen door het gescheld van een banlieue-fenomeen dat zijn haat jegens alles en nog meer uit-rapt – lawaai dat vanuit de afdeling CD’s aan komt kokhalzen. Dan wil ik niet dat een langslopende bewaker in een goedkoop zwart kostuum en met gelatine in zijn haar mij vanuit een ooghoek toeloert. Als vlak naast mij, in de zak van een persoon plotseling een schelle ingeblikte « Für Elise » opklinkt (nee, niet ook dat nog, een mobiel!…), besluit ik de biezen te pakken. Met Tolstoj. Op naar de laatste beproeving ! – de rij voor de kassa.

Rij voor de kassa

Nee, ik ga het niet hebben over de mensen die in de rij staan. Er is altijd wel wat vervelends over mensen te zeggen. Er is bij iedereen wel iets waar je je grondig aan kunt ergeren. Vooral wanneer je in een eindeloos lange rij staat. Nee, ik zeg tegen mezelf : wie ben jij om inwending zo op iedereen te zitten vitten ? Op die dikke vrouw die aan de beurt is en die – ach hemel ! met een chèque gaat betalen. Met een chèque betalen, dat duurt dubbel zo lang als met een creditkaart : pen zoeken, invullen, ondertekenen, en dan nog eens het overblijvende strookje invullen… Misschien komt het nog eens voor dat je zelf met een chèque moet betalen, terwijl achter je de mensen hardop zuchten en zich zitten te verbijten. Of op die kinderen die maar niet af kunnen blijven van de pockets en DVD’s in de schappen vlak voor de kassa. En de moeder heeft mooi zeggen : niet doen ! ‘t Is (natuurlijk) vergeefse moeite. Ach, denk je, ‘t arme mens is misschien alleenstaand, werkt door de week, is volkomen afgepijgerd – hoe wil je dat ze ook nog haar kroost onder de duim houdt ? Nee, we zetten onszelf schrap, de mond op glimlach-stand, de blik op het oneindige. Alles heeft nu eenmaal zijn prijs. Je hebt niets voor niets. En wat de mensen in de rij betreft : leven en laten leven…

Leve Trotski!

Jààà – hééé ! Dringt die vent met dat mobiel met die Für Elise-toon zomaar voor! O wacht, dat is het : hij is een bekende van de rug die tot dusver voor me stond. Ze waren misschien vanaf het begin samen, en de één zei tegen de ander : ik ga vast in de rij staan. Altijd een beetje flauw, plaatsen voor anderen bezet houden. Iets wat mensen die alleen zijn niet kunnen… Ze zijn allebei van hetzelfde type : de ouder wordende alternatief-denkende intellectueel. De een heeft een gesoigneerde grijzende baard, een bril met een kostbaar montuur, een tot in de nek naar achteren gekamde zilveren haardos. De ander heeft dat ook. Tweed jasjes met leren stukken op de ellebogen. Daaronder polo-shirts, open om de nek. Ze smoezen met elkaar, en hun manier van doen, van om zich heen kijken, heeft iets een tikkeltje arrogants. En tegelijk alsof ze zich er een beetje voor generen, dat ze in de rij moeten staan tussen van die onbenullige massa-mensen, en dat in zo’n neo-liberaal consumptiepaleis. Ze behoren tot de kleine en fijne elite die « mei 68 heeft gedaan ». Toen stookten ze de arbeiders van Renault op tot trotskistische revoluties, nu verschansen ze zich in bepaalde bohémien-buurten, waar de aanwezigheid van atelier-achtige galeries en stoffige tweedehands boekwinkeltjes doet vergeten hoe peperduur er de appartementen zijn. Ja, ze kijken om zich heen, en alles wat ze zien – wat ze ook maar zien, wordt in hun breinen voorwerp van haarscherpe sociologische analyses. Alles en iedereen is « produkt van… » – van wat ? van iets anders – iets dat je alleen in theoriëen kunt vatten. Om een lang en tamelijk vervelend verhaal kort te maken, alles om hen heen – voor hen is het niets anders dan één grote volksverlakkerij. Alles, de audio- en video- en informatica-apparatuur, de DVD’s, CD’s, CD-roms, de top-tien boeken – over koken, over sex, over zen en zelfontplooiing, over Cecilia en over Carla, ‘t is een en al opium voor het volk. Of liever gezegd, het is zand dat dat door « het systeem » in de ogen van een schaapachtige massa wordt gestrooid om ze blind te houden voor wat werkelijk achter de schermen gaande is. O, wat zijn we intelligent, en scherpziend, en hoezeer doorzien we wij het zaakje ! – zeggen de blikken van de twee intellectuele types voor me. Zeggen ook de wat schampere opmerkingen, die ze zo nu en dan plaatsen. Een van hen heeft een biografie van een avantgardistische dichter in zijn hand, zo een die het kapitaal te lijf ging met regels als :

Train dans mon cul

        ….. train déjà vu             Train saugrenu

Eh, la bourgeoise – tu me la donne, ta soupe !

…..

Ik vind de (andere) mensen in de rij opeens aardig…

Betrapte topcrimineel

Ik schrik me een aap, wanneer plotseling een schrille beltoon opklinkt. Het apparaat voor de uitgang dat waarschuwt wanneer iemand zonder te betalen naar buiten loopt. Iedereen natuurlijk meteen kijken wie de betrapte topcrimineel is. Ach jééé, het arme dikke mens dat met haar chèque betaalde – en dat overigens na het betalen per ongeluk haar chèqueboek en haar pen op de grond liet vallen. De bewaker in het goedkope zwarte kostuum en met het gelatine-kapsel snelt toe. De vrouw moet haar tas laten zien. Ze is helemaal overstuur. Zwart kostuum grabbelt in haar tas. Vindt niets. Gaat door. Vindt nog steeds niets. « Ik begrijp het niet » – zegt de vrouw : « Ik heb betaald, vraag het maar aan de caissière. » Van bedremmeling glijdt haar bril van haar neus. Valt op de grond. Ze bukt zich, waarbij er iets uit haar jas tuimelt. En de bewaker maar grabbelen…

De rij komt in opstand – maar niet iedereen…

Ik denk : maar heeft ‘ie wel het recht ? Mij is het ik-weet-niet-hoe-vaak overkomen dat zo’n apparaat begon te schetteren wanneer ik langs liep, terwijl ik helemaal niets had gegapt. Moeten we ons dat zomaar laten aanleunen, om zo ten aanschouwen van iedereen als de minste gemene gauwdief te worden bejegend ? Weegt het kabaal van zo’n stom apparaat dan op tegen het gegeven woord? Achter mij hoor ik iemand kwaad worden. Een oudere, keurig geklede mevrouw. Quand même, il exagère ! – hoor ik haar zeggen. Een paar jongeren voor beginnen ook opmerkingen te maken. Ik dacht dat het van die onnozele consumptie-jongeren waren ; ze blijken meer in hun mars te hebben. « Maar ze heeft niets ! » – roept één van de jongeren de bewaker toe. Laisse tomber ! Ik merk dat de hele rij opstandig wordt. Ik zeg tegen de mevrouw achter mij : « ‘t Is vernederend ». Ze is het volkomen met me eens. Een ander persoon achter mij ook. Ca suffit ! Arrête ! – wordt er geschreeuwd. Zwart kostuum kijkt kwaad om zich heen. Hij laat de tas los en geeft hem terug aan de dikke vrouw, die helemaal rood is aangelopen. Ze vlucht de winkel uit. N’importe quoi !

De enigen die zich nergens mee bemoeiden, dat waren onze twee goed-verdienende intellectuelen. Die keken zo’n beetje onverschillig toe. Als een opstand geen trotskistische revolutie is, dan is die opstand de moeite niet waard.

  1. 2 Reacties op “Opstand in de FNAC”

  2. Door Molière op 29 apr, 2008

    Waarom “intellectuelen”? Ik denk dat “goed verdienende ideologen” raker was geweest. Voor mij staat intellectueel nog steeds gelijk met erudiet, wijs… Dit wil ik althans geloven.

  3. Door de schrijver in Frankrijk op 29 apr, 2008

    Cher Molière,

    Vous avez tout à fait raison.

Reageer