Hollanders in Versailles…

29 jan, 2009 Onderdeel van paysages

Column door Caspar Visser ‘t Hooft

Voor wie in Versailles woont zijn de Mémoires van de hertog van St Simon verplichte lectuur. Niemand beschrijft beter het dagelijks leven aan het hof van Lodewijk XIV: de lotgevallen van de prinsen en prinssessen van den bloede, van de horden hofmensen, hertogen, markiezen, omhoog gevallen burgers, die pas kort door de koning in de adelstand zijn verheven (iets waarover St Simon’s gal niet uitgespuwd raakt), de roddels die omgaan – en af en toe, hà! een sappig schandaal. St Simon’s stijl is uniek: puntig, spring-in-het-velderig, nu eens hoogst cru, vers uit de stal, dan weer zwierig en hoofs. Dat is de reden waarom zijn vier à vijfduizend bladzijden tot de hoogtepunten van de Franse literatuur worden gerekend. St Simon’s grote hartstocht betreft de etiquette. Wie heeft voorrang boven wie? Elke inbreuk op de eeuwenoude orde aan het hof is hem een gruwel. Met argusogen spiedt hij om zich heen wanneer hij door de gangen, de antichambres, de spiegelzalen van het kasteel sluipwandelt. Overal legt hij zijn oor te luister, in deze intieme salon, in die alcove. En zo beschrijft hij op bladzijde duizend-zoveel een officieel bezoek van de Hollandse ambassadeur, waarbij zich iets voordoet dat algehele consternatie wekt. Natuurlijk, wat wil je: Hollanders aan het hof – als ze ergens niet voor gemaakt zijn…

Inbreuk op de etiquette

We schrijven het jaar 1700. Coenraad van Heemskerck is sinds kort de Staatse gezant in Parijs. Onze Republiek der Zeven Verenigde Provinciën bevindt zich op een voet van tot-op-de-tanden-gewapende vrede met Frankrijk. Ja, een bijzonder wankele vrede, want spoedig zal de Spaanse successie-oorlog uitbreken, die een groot deel van Europa, waaronder de Republiek, tegen de Bourbons te velde doet trekken. Maar zover zijn we nog niet. Van Heemskerck komt bij de koning in Versailles zijn complimenten maken. De introductie en het daarop volgende onderhoud verlopen rimpelloos, geheel volgens de voorgeschreven regels. De hel breekt los wanneer in een ander deel van de ontvangstzaal, daar waar zich de dames bevinden, zijn gade en zijn dochter op hun beurt aan de leden van de koninklijke familie worden voorgesteld. Volgens St Simon was het de gewoonte dat de ambassadrices uit het buitenland niet alleen voor de prinsessen een révérence maakten maar dat zij bovendien de sleep van hun gewaden naar haar mond brachten. Daarna had de ambassadrice er recht op door de prinsessen op de wangen te worden gekust. Mevrouw van Heemskerck doet wat van haar verwacht wordt, waarna ze de voorgeschreven vorstelijke zoen ontvangt. Joffer van Heemskerck doet insgelijks: ze kust de sleep van de hertogin van Bourgogne (de echtgenote van de kleinzoon van de koning), waarna ze haar haar wang toekeert… Horreur! Alleen de echtgenote van de ambassadeur heeft recht op de koninklijke baiser, niet de dochter. Alle dames die de prinses omringen (als ze hertogin zijn mogen ze op een taboeretje zitten, als ze dat niet zijn niet) sissen en geven luidkeels blijk van hun ontstemdheid. De prinses van den bloede is uit het veld geslagen, ze weet niet wat ze moet doen, en daarom geeft ze maar de zoen. Maar als vervolgens de schoonzuster van de koning (Madame wordt ze genoemd) aan de beurt is, en wanneer ook dan joffer van Heemskerck haar wang aanbiedt, doet eerstgenoemde bruusk een stap achteruit. Wanneer de ceremoniemeester er haar vervolgens op attent maakt dat de hertogin van Bourgogne mademoiselle de Heemskerck wél op de wang heeft gekust, roept ze uit: Tant pis! C’était une sottise! Kortom, schandaal in Versailles. St Simon laat even verder doorschemeren dat ambassadeur Van Heemskerck het hele geval nogal rustig opnam. Nee, een Hollander zal van zoiets geen staatsaffaire maken. Al zal hij ook denken: hè, wat flauw van zo’n madam.

Op Huis ten Bosch

Een Hollander maakt zich niet bovenmatig druk over kwesties als voorrang en etiquette. Geen zoen? Nou, dan geen zoen. Als onze zaakjes maar naar behoren worden behartigd (over centen zijn ze natuurlijk minder coulant). Maar wanneer anderen bij hen, thuis, de parmantige pauw komen spelen, dan weten ze die anderen goed te laten voelen dat zij zich op dat punt wel zeer vergissen. En dan kunnen de Hollanders opeens heel koppig blijken. Zo lees ik in andere mémoires – de mémoires van Henriëtte d’Oberkirch[1] – mémoires die zich voor een groot deel ook op en om Versailles afspelen (sinds ik in Versailles woon probeer ik me hier het leven vroeger voor te stellen, en wie helpen je daarbij beter dan personen die het zelf hebben meegemaakt en erover vertellen?) – over de vrouw van de Franse ambassadeur in Den Haag die weigerde bij stadhouder Willem V op Huis ten Bosch te verschijnen. Waarom? Omdat zij en haar man (hertog en hertogin van La Vauguyon) van mening waren dat haar daar niet de plaats werd toegekend waar zij recht op had. Volgens de schrijfster van de mémoires ging het hier om een aanspraak (ze zegt niet precies welke) waaraan de Franse gezanten in het buitenland hardnekkig vasthielden. L’honneur de la France! Zij vindt dit terecht. Maar ze voegt hieraan toe dat ook het hof van de stadhouder op dit punt de poot stijf hield. Als ze niet wil komen – nou, dan maar niet.

‘s Lands wijs, ‘s lands eer

Met deze twee anekdotes wordt de Nederlandse aard treffend gekenschetst. Althans, zo wil het mij voorkomen. Een zekere rustige onverstoorbaarheid (op het botte af) en een weigering om zich in eigen land over statuskwesties door anderen te laten gezeggen. Dezelfde Henriëtte d’Oberkirch bevestigt dit nog eens op beeldende wijze wanneer ze een reis door de provincie Holland beschrijft, waaraan ze als gezelschapsdame van de grootvorst Paul, de toekomstige tsaar van Rusland, en de grootvorstin, zijn vrouw, deelneemt. Ze heeft het daarin over de kalmte en het passie-loze dat de gezichten van de Hollanders uitstralen, en ze vraagt zich af of het wel bloed is dat door hun aderen vloeit en niet eerder melk. Ook zegt ze dat de Hollanders nooit lachen, behalve wanneer ze vijf potten bier op hebben – en dan, wat een lol (gaieté)! Waabij ze droogjes opmerkt dat ze dan toch liever hun onverstoorbaaheid (humeur flegmatique) heeft. Voor de rest vindt ze Holland mooi, schoon en saai. Het hoge gezelschap doorkruist het vlakke land in een trekschuit. Ik neem tenminste aan dat Henriëtte d’Oberkirch hierop doelt wanneer ze dreekscheit (!) schrijft.

Ja, grappig zoals meer dan twee eeuwen geleden de mensen hetzelfde van Nederlanders zeiden als nu. Want in die Van Heemskercks aan het hof van Versailles, in die koppigheid van stadhouder Willem V, in die melkgezichten, in dat flegmatische, in dat “doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg” herkennen we onszelf. Of we hier trots op moeten zijn? Als het goed is zijn we ook daar te nuchter voor. En wat de Fransen betreft en hun volksaard, ook daar wisten ze meer dan twee eeuwen dingen over te zeggen die nog volop van toepassing zijn. Zo zegt Voltaire ergens : Il n’y a point aujourd’hui de nation qui murmure plus que la française, qui obéisse mieux et qui oublie plus vite (“Geen natie die harder moppert, die beter gehoorzaamt en die eerder vergeet dan de Franse”). Vandaag, 29 januari 2009, ligt heel Frankrijk plat als gevolg van een algehele staking die alle sectoren van de maatschappij betreft – “die harder moppert…”


[1] Henriëtte de Waldner, getrouwd met baron d’Oberkirch. Ze leefde van 1754 tot 1803. Geen geschrift geeft een beter beeld van het leven aan het hof van Versailles in de laatste jaren voor de Franse revolutie dan haar mémoires. Dit wordt algemeen erkend.

  1. 1 Reactie op “Hollanders in Versailles…”

  2. Door Molière op 17 feb, 2009

    Anders gezegd, de Franse “esprit frondeur”: hoog opkijken tegen het gezag en de gevestigde hierarchiëen en tegelijk er zich constant tegen verzetten. De revolutie heeft daar geen verandering in gebracht.

Reageer