Sportschool op z’n provençaals

7 okt, 2009 Onderdeel van plaisanteries

Column door Caspar Visser ‘t Hooft

Om de zoveel tijd vindt mijn rug het leuk om krak te zeggen. Arme rug, hij heeft nog steeds niet door dat hij dat kortstondige pretje met dagenlange zeurpijn heeft te betalen. En ik die dan krom loop – krom én voorover én naar rechts. Een vertoning! Hoeveel drempels van hoeveel fysio – ostheo – kinesitherapeuten heb ik intussen niet plat gelopen? Het hielp altijd maar even, nooit langer. Wat ik wilde, dat was gemasseerd worden. Lekker op een bank liggen en niks zelf hoeven doen. Nee, steevast begonnen ze te zeuren over vervelende oefeningen. Ja, en hoe vaak hebben ze me niet aangeraden me bij een sportschool in te schrijven om daar mijn spieren te ontwikkelen, vooral die van de buik, de benen en de rug, omdat alleen goed ontwikkelde spieren de ruggengraat in het gareel kunnen houden? Ik heb aan die raad nooit gevolg gegeven. Ten eerste niet omdat ik daar te lui voor was, ten tweede niet omdat me die sportscholen altijd een beetje louche leken. Iets voor onderwereldtypes, voor uitsmijters bij de ingangen van goktenten en bordelen. Ik zag ze daar al hangen met hun confectietorso’s, in van die martelwerktuigen en spiermachines, en daarbij harddrugs dealen… In m’n stoute schoenen

Ik ben deze zomer van stek veranderd. Zoveelste mijlpaal in je leven, mooie gelegenheid om zekere goede voornemens in daden om te zetten. Ik stap in m’n stoute schoenen, ik begeef me naar een club de forme die zich bij mij om de hoek bevindt, ik schrijf me in, en ik denk: kome wat komen mag. Nee, laat ik eerlijk zijn, zo heroïsch was het ook alweer niet. Ik was al een paar keer langs dat sportetablissement gereden, en telkens had ik er brave oudere mensen uit zien komen. Goed, ook een paar ijzervreters – maar die ijzervreters en die brave oudere mensen schenen nogal gemoedelijk met elkaar om te gaan. Kortom, ik had al zo’n vermoeden dat het met die half criminele patjepejers wel meeviel.

Een plek om recepten uit te wisselen

Eerst je spieren opwarmen. Ik zit op zo’n fietsding dat op de plek stil blijft staan, hoe hard je ook trapt. Ik kijk om me heen, ik leg mijn oor te luister. Voor mij zitten twee dames van rond de zestig op roeimachines. Ze dragen strakke kleefpakken die alle rimpels en rondingen laten zien. En van die rimpels en rondingen zijn er nogal wat. Ik zie dat ze de apparaten op de laagste stand hebben gezet, dat wil zeggen op het minst zwaar. Erg veel verbetenheid leggen ze niet aan de dag. Dat kan ook niet want ze zitten, al roeiende, met elkaar te kletsen. En ook met een madam met blond geverfd haar die in een buikspierstellage zit, en die daar alleen maar in zit te zitten. Waar ze het over hebben? Over eten. Over recepten…

Een beetje pastis er doorheen…

Ik hoor namen vallen van gerechten die mij intussen al vagelijk bekend in de oren klinken. Gerechten uit de streek, dat wil zeggen de Provence. De dames hebben het over estouffades, bourides, fougasses, daubes. De een zegt dat ze hier zoveel teentjes knoflook bijdoet, de ander dat ze er altijd épeautres bij serveert, net als destijds haar grootmoeder. Als de derde zegt dat ze door haar bouride (vraag me niet wat het is – iets met vis, meen ik te begrijpen) altijd een flinke scheut pastis gooit, gaan een paar kerels verderop, die wél nogal grondig aan hun spierballen werken, hard lachen. Ze hebben blijkbaar de conversatie van de dames gevolgd. Iets wat, naar ik vermoed, de dames heel goed wisten. “Want we hebben er voor het eten zeker niet genoeg van genomen!” – “Voor de dames, dan hebben die ook wat” – “Alsof die tijdens het koken, in de keuken, niet een paar glaasjes achterover hebben gedrukt” – “Allez  va, les gars, mogen nog wat grammetjes spieren erbij”. Van hun kant wijzen de bodybuilders de dames er niet op dat als ze zo door gaan met kletsen en maar zo’n beetje voor de vorm aan de laagste stand gewichten zitten te trekken, er maar weinig grammetjes af-gaan. Nee, ze vinden het doodgewoon, en zoals het hoort, dat daar die dames, die hun moeders zouden kunnen zijn, over lekker eten praten. Dat moet je overal kunnen doen, ook in een sportschool.

Ik ben het met ze eens. En ik weet het: mijn rug gaat betere tijden tegemoet.

 

 

 

  1. 2 Reacties op “Sportschool op z’n provençaals”

  2. Door roetman op 7 okt, 2009

    Om te voelen hoe het is om 5 pastis achter elkaar op te hebben raad ik de schrijver aan 5 km over de rollende loopband te lopen. Wanneer je er dan na 40 minuten pardoes afstapt weet wat ik bedoel…

  3. Door Mata Hari op 20 okt, 2009

    Spieren zijn goed voor je rug, maar géén-stress is nog beter. Het beste middel tegen stress is tijd nemen voor lekker eten. Met een flinke scheut Pastis er doorheen. Die dame in dat kleefpak heeft groot gelijk.

Reageer