Kerstcadeau

24 dec, 2009 Onderdeel van paysages

Column door Caspar Visser ‘t Hooft

Vrienden, die in de buurt van de Pyreneeën wonen, verwachtten mij voor een feestelijk déjeuner op tweede kerstdag. Ze wisten dat ik niet op kerstmis zelf van de partij kon zijn, want ze kennen mijn beroep. En iedereen weet dat de kerstdienst op 25 december het hoogtijevenement is van het kerkelijke jaar. Ik had het allemaal precies berekend, want om je vanuit de omgeving van Parijs met de auto naar de Pyreneeën te verplaatsen, daar doe je gauw zo’n tien uur over (over de snelweg wel te verstaan). Ik had de Clio, volgeladen, met de hond erin, voor de kerk gezet (tijdens de dienst hoorde ik mijn hond, buiten, in de auto – ik had raam op een kier gelaten – opeens een vreselijk kabaal maken: iemand met een andere hond liep waarschijnlijk langs. Enfin, gauw een kerstlied aanheffen!…). Als het even meeliep, dan kon ik zo tegen kwart over twaalf wegrijden. Ik had een hotel besproken in een voorstad van Rodez. “U kunt mij tussen zeven uur en half acht verwachten,” had ik tegen de mensen van het hotel gezegd. De volgende dag zou ik rustig tegen half negen wegrijden, om dan keurig op tijd bij mij vrienden aan te komen. Ik wist dat de fles Ricard voor me klaar zou staan.

Benzineprobleem

Tot en met Clermont-Ferrand zat mijn hoofd nog vol van de kerstdienst en van allerlei dingetjes die ik nog op de valreep, na de dienst, van mensen had vernomen. Zo één-twee-drie zet je je gemeente niet uit je hoofd. Nee, zelfs na Clermont-Ferrand nog niet, met als gevolg dat ik bij het grote benzinestation bij Veyre vergat te tanken. En toch had ik ergens, nog voor Clermont, opgemerkt dat het benzinepeil laag stond. De A 75 begon te stijgen. Hier had ik me op verheugd, op het stuk tussen Issoire en de afslag bij Sévérac-le-Château. Het is een van de mooiste trajecten die ik ken. Een kleine 150 kilometer onafgebroken op 800 tot 1000 meter hoogte. Ik had het in alle jaargetijden gedaan. Maar nog nooit in de winter. Het bleek iets grimmigs te hebben, ‘s winters – zo constateerde ik: dat lege, glooiende landschap aan weerszijden van de weg, dat deed denken aan de ruggen van een kudde gigantische gevaarlijke stieren. De lucht was van lood, en werd gaandeweg donkerder. Steeds meer tegemoet komende auto’s reden met hun koplampen aan. Rechts, in de verte, tussen twee brede, zwarte ruggen door, zag ik een ronde berg opdoemen: een grijnzend wit bovengebit. Iets bracht me ertoe weer op de benzinewijzer te kijken. Hemel! Ik zat haast droog! En voor het volgende benzinestation moest ik nog 60 kilometer rijden, aldus wat een voorbijflitsend bord meldde. En terug naar Veyre, dat was minstens zo ver. Stomme ezel die ik ben! Er zat niets anders op dan de snelweg bij de eerstkomende afslag te verlaten en ergens in het eerste beste stadje te foerageren. Als de dingen daar tenminste open waren, op een eerste kerstdag. Wat een kopzorgen opeens! En dat terwijl ik het die morgen nog over “op aarde vrede” had gehad…

Tanken op een eerste kerstdag

Maar ik had (eens een keer) geluk. Nog voor ik het stadje waarvan ik de naam ben vergeten had bereikt, was daar links van de weg een garagebedrijfje, met twee benzinepompen. En in het lokaaltje erachter, naast de open schuifdeur van de garage, licht. De vrouw die naar buiten kwam om mijn tank te vullen (zo’n klein bedrijfje doet niet aan zelfbediening), droeg een kerstmannetjesmuts, rood met een hermelijnen rand en een witte pompon. “Joyeux Noël! U heeft niet teveel glaasjes op? Er is verderop politie gesignaleerd.” Ze dacht blijkbaar dat ik terugkwam van een kerstdiner – kalkoen, champagne, foie gras, bûche de Noël. Ik van mijn kant vroeg of ik met een creditkaart kon betalen (je weet maar nooit, in zo’n primitieve gelegenheid…). “Ja natuurlijk! Als u mee naar binnen wilt komen.” Binnen was een rommelig zaaltje, met schappen vol jerrycans met olie, met een ijskast met blikken bier, met een grote, oude hond in een mand, met op de toonbank een klein knipperlichtend kerstboompje, en met een uit gekleurde stroken bestaand vliegengordijn waarachter zich – zo te horen – het woongedeelte van de garagistenfamilie bevond. Getik van lepels en vorken, af en toe het geloei afkomstig van één of ander lawaaimakend stuk speelgoed, zo nu en dan een harde lach, voor de rest dof gemompel. Alles een beetje loom – het einde van een lange zit om een rijk gevulde tafel. Enfin, ik betalen. “Joyeux Noël à vous!” Voor mij zou het morgen beginnen. Buiten gekomen viel het mij plotseling op hoe duister het al was. Vochtig kil ook, die zuivere, mineralen lucht…

Sneeuw

Op het plateau van de Aubrac begon het te sneeuwen. Links een zwart gat, rechts een zwart gat. Heel af en toe, ergens ver weg (waar? – wat zijn dat voor mensen?…), een minuscuul lichtpuntje. Weinig tegemoet komend verkeer, zo nu en dan één auto die je met zijn koplampen net niet verblindt, en dan… zwart. Geleidelijk aan begonnen de vlokken die voor in de lichtbundel dansten zich vast te zetten op dat gedeelte van de voorruit waar de ruitenwissers niet bij kunnen. Op de weg ontstonden sporen, vooral links, op de inhaalstrook. Niet leuk.

De snelweg af

Afslag Sévérac-le-Château. Ik volgde langzaam, voorzichtig (niet remmen!) een grote 4×4 voor me, de snelweg af, de laagte in. Geleidelijk verdwenen de sporen, om plaats te maken voor een egaal nat wegdek. Een opluchting (en toch ook weer een beetje jammer). De weg – nu een gewone nationale – daalde en daalde. De sneeuw werd natte sneeuw, daarna motregen, en bleef motregen. Een half uur later reed ik de parking van de Campanile van Rodez op. Kwart voor acht. Ik was nauwelijks achter op schema.

Ach hemel!

En zo had ik me op die vredige eerste kerstdag al twee keer flinke zorgen gemaakt: eerst die benzinekwestie, toen die sneeuw. Maar de echte schok kwam pas toen ik plotseling, op de hotelkamer, merkte dat ik mijn creditcard kwijt was. Hij stak niet meer in de daartoe bestemde gleuf van mijn portemonnee. Ik zoeken, in de binnenzak van mijn jas, in mijn tas – maar daar kan ik hem niet in hebben gestopt, na het tanken, want de tas zat achter. Ach hemel! Nu dit ook nog! En wanneer mijn hond begint te piepen omdat hij wil eten, krijgt hij van mij een snauw. Ik heb mijn creditcard bij dat benzinestation vergeten. Want ergens anders had ik hem niet gebruikt. Ik had hem waarschijnlijk in het apparaat laten steken, vergeten hem eruit te halen. Wat nu? Wat moet ik doen? Terug – in de sneeuw? Ach hemel nog aan toe! “En jij, rotbeest – jij houdt je kop!” Ik weet wat ik moet doen, al zou dat nog wel eens een heel gedoe kunnen blijken: ik moet achter het telefoonnummer van het pompstation in N. zien te komen, en ze dan bellen. Ja, nogal een gedoe. Ik naar de receptie. Of ik even gebruik mocht maken van de computer. Ik zoeken naar de adressen van de pompstations in N. Drie adressen. Ik noteer ze. Kijk vervolgens op Mappy, herken de ligging van mijn pompstation. Toets vervolgens het nummer in op mijn mobiel. Herken de stem van de vrouw met de kerstmannetjesmuts. Leg mijn probleem uit. Antwoord: “Nee, we hebben niets opgemerkt. Maar we zullen naar uw kaart gaan zoeken. Als we hem vinden leggen we hem voor u opzij. We zullen u terugbellen.”…Wanneer ik een kwartier later aan tafel zit, in het restaurant-gedeelte van de Campanile, ben ik maar half gerustgesteld. Goed, ik heb die mensen van het pompstation tenminste te pakken gekregen. Ik heb mijn chèqueboek bij me, ik kan dus overal betalen – maar toch, zo’n kaart die ergens loopt te slingeren – een vervelend idee. Zonder veel vreugde begin ik aan het voorgerecht.

Eureka!

En nu de clou. Was het de peper, die ik te rijkelijk op een bolletje fromage blanc had gestrooid? Ik moest opeens – aaaaah, niezen. Waarna ik netjes mijn neus besloot te snuiten. Ik tastte in de zijzak van de jas die ik over de rug van mijn stoel had hangen, op zoek naar een papieren zakdoek…én, ik viste er de verloren creditcard uit op. Eureka! Gered! Lof zij de… nee, het geeft geen pas de lofzang te trivialiseren, alleen maar voor zo’n geldkaart. Maar toch… Het hoofdgerecht, duidelijk resten van een feestelijk kerstmaal waaraan zich hier hele families tussen de middag tegoed hadden gedaan, was heerlijk. Met bovendien een nog voor drie-kwart volle karaf rode wijn voor me. In de zaal was maar één andere tafel bezet. Een stel, van het nondescripte genre. Achter de toonbank hing een verveeld kijkende jongere. Een kerstboom knipperde met zijn lichtjes, alleen maar omdat nu eenmaal de stekker in het stopcontact stak. Fijn allemaal! Aan mijn hond, onder de tafel, gaf ik een stukje biefstuk.

Kerstcadeau

Nee, nu de échte clou. Ik dacht opeens aan die mensen van het benzinestation in N. Zouden ze nog steeds zoeken?  Een uur nadat ik ze had gebeld. Waarschijnlijk niet. Ze hadden de kaart niet gevonden, ze hadden verondersteld dat ik hem ergens anders had verloren, et puis voilà. Ik dacht: toch – al is het maar uit beleefdheid – even bellen. Om te zeggen dat ik de kaart heb gevonden. Ik toets het nummer weer in. “Allô, garage Crouzet.” De stem van de kerstmannetjesmutsmevrouw. “Hallo, met de persoon die zijn creditcard was verloren.” Korte stilte – dan een soort vreugdekreet. “Eh Gaston, les gars – hier de meneer die zijn creditcard was verloren.” Ik hoor een gejuich op de achtergrond. Ook de korte schorre blaf van een hond. “O monsieur, dankzij u hebben we het mooiste kerscadeau gekregen dat we ons maar konden wensen!”… “Ah bon?” Ik weet niet wat mij overkomt. “Maar – helaas – uw kaart hebben we niet gevonden. U moet hem ergens anders kwijt zijn geraakt, want we hebben met z’n allen wel een uur lang lopen zoeken. We hebben de hele toonbank verplaatst, want we dachten dat hij misschien in de gleuf tussen de toonbank en de muur was gevallen.” Ik zeg: “Ja – ja, ik heb hem gevonden. Daarom bel ik u, dat u niet verder zoekt.” Antwoord: “Ah tant mieux! Comme ça, tout va bien pour tout le monde! En wij – wij hebben terwijl we zochten iets gevonden waar we al heel lang naar op zoek waren. We dachten dat we het voorgoed kwijt waren geraakt. Het lag daar, tussen de toonbank en de muur”… “Een kerstcadeau!” – hoor ik iemand op de actergrond roepen. En ook: “Merci père Noël!” “Ja, bedankt – un grand-grand merci. Ik zeg, knullig: “Il n’y a pas de quoi.” En hang op.

Het duurt even voordat het tot me doordringt. Behoorlijke mensen. Meer dan behoorlijke mensen. Dat ze de moeite hebben genomen een uur lang naar mijn creditcard te zoeken. Op een eerste kerstdag. Een uur lang, met z’n allen – voor mij. Dit idee alleen al – ik weet het, dit is even mijn kerstcadeau.

  1. 4 Reacties op “Kerstcadeau”

  2. Door Henri Bik op 25 dec, 2009

    ‘Wie goed doet.., goed ontmoet’

  3. Door E.H. op 25 dec, 2009

    Wat een goed verhaal, en dat op eerste kerstdag ,ik word er blij van! vandezomer op reis in Frankrijk heb ik ook veel hulpvaardigheid ondervonden, ik zal dat niet gauw vergeten.

  4. Door Jantine op 12 jan, 2010

    Wat een leuk verhaal.
    Ik proef de franse sfeer.Frankrijk is voor ons(mijn man en mij het fijnste vakantieland.
    Het etentje: Van de zomer zaten we op een minicamping in Thil sur Arroux.
    De laatste dag gingen we lunchen.In het enige restaurant van de plaats.
    Er zijn daar verder ook geen winkels.
    Voor èèn keer niet vegetarisch. Nou, dat heb ik geweten.
    Als eerste een groot stuk gebakken lever. Het zag er bloederig uit.
    Ieder volgend gerechtje had spekjes of wat dan ook.
    Wat was ik blij met het toetje: een ijsje.
    Ik stuur dit stukje om de sfeer die uw stukje opriep.
    Het was een interessante afsluiting van onze vakantie.De volgende keer hoef ik alleen het toetje.
    Met vriendelijke groet,
    Jantine.

  5. Door De schrijver in Frankrijk op 13 jan, 2010

    Zo’n bloederige lever, dat lijkt me ook niks. Waar je in mijn ervaring nooit geen risico’s mee neemt, dat zijn omeletten. Een omelette aux fines herbes. Is meestal heerlijk. Maar neem ook daarvan niet teveel, wanneer je daarna van een écht lekker toetje wil genieten, iets met met noga, slagroom, marron glacé…

Reageer