Uit de kroniek van Orange

2 dec, 2009 Onderdeel van paysages

Column door Caspar Visser ‘t Hooft

In Orange staat een huis waar eens, lang geleden, twee Nederlanders elkaar naar het leven stonden en waar bloed is vergoten. Nederlanders? Wat kwamen die daar in Zuid Frankrijk uitspoken? In het buitenland gedraag je je, hou je je gedeisd – toch? Het geeft geen pas er trammelant te schoppen. Lijkt me ook. Alleen had in die tijd het stadje Orange een heel bijzondere band met Nederland, of liever gezegd met de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden: de vorsten die over het stadje en over het omliggende gebied heersten waren dezelfden als onze stadhouders: Willem de Zwijger, prins Maurits, Frederik Hendrik – ja, onze Oranjes. De heer die Orange wilde verkopen

Omdat de Oranje-prinsen bij ons verbleven, om ons bij te staan bij het van ons afwerpen van het Spaanse juk, lieten ze het dagelijks bestuur van hun soevereine staatje Orange over aan een reeks gouverneurs. En als bij alles, soms maakten de Oranje-prinsen in deze goede keuzes, soms slechte. Een bijzonder slechte keuze werd belichaamd in de persoon van de Zuid-Nederlander Jean de Hertoghe d’Osmael, heer van Valkenburg. In 1619 zond prins Maurits hem naar Orange om toezicht te houden bij de bouw van een vesting op de heuvel boven het stadje. Prins Maurits, de vestingbouwer! In eerste instantie leek de Heer van Valkenburg de aangewezen persoon voor die taak. Nog nooit was in zo weinig tijd zo’n gigantisch fort uit de grond gestampt (veelal met gebruikmaking van stenen afkomstig van de talloze Romeinse bouwvallen van het oude Arausia – tja…). Maar hier bleek al gauw ook de valkuil te liggen. In zijn versterkte fort, hoog op de heuvel, waande Jan van Valkenburg zich dusdanig onaantastbaar dat hij zich losmaakte van het gezag van de wettige vorst, Frederik Hendrik (die intussen prins Maurits was opgevolgd). Wat zal hij me, die afwezige prins, daar ver weg in het mistige Holland? Niet dat het de opstandige gouverneur in de eerste plaats om macht te doen was. Waar hij op uit was, dat was geld. Hoe dat zo? Door domweg het prinsdom aan de hoogst biedende te verkopen. En het geval wilde dat er twee serieuze gegadigden waren: de katholieke koning van Frankrijk enerzijds, de leiders van de machtige hugenotenpartij anderzijds (in Frankrijk waren de godsdienstoorlogen nog niet uitgewoed)…

Het besluit van Frederik Hendrik

Onze prins kreeg al gauw lucht van Valkenburg’s verraad. Nadat hij meerdere pogingen had ondernomen Jan van Valkenburg tot de orde te roepen, besloot hij tot grover geschut over te gaan. Hij vond één van de edelen van zijn naaste omgeving bereid het zaakje op te knappen: de ontrouwe gouverneur moest uit zijn ambt worden ontzet, liefst met behulp vreedzame middelen, en anders – alleen in het uiterste geval (daarop stond Frederik Hendrik) – door middel van geweld. Het werd dit laatste.

Bloed

Voorjaar 1630. De Zeeuw Jan de Knuyt, heer van Vosmaar heeft de Republiek verlaten en is een paar weken later in Orange aangekomen. Hij doet zijn opwachting op het kasteel, wordt door de Heer van Valkenburg ontvangen, een confrontatie volgt. Al gauw blijkt dat Jan van Valkenburg niet in het minst van plan is zich aan het oppergezag van de Oranje-prins in het verre Noorden te onderwerpen. De Knuyt denkt: tot zover de vreedzame middelen. Hij besluit het over een andere boeg te gooien. Met veel uiterlijk vertoon verlaat hij de stad, alsof hij de terugtocht naar de Republiek aanvaardt. In werkelijkheid verschuilt hij zich in een boerderij, even buiten de stad. Van daaruit voert hij in het geheim onderhandelingen met de vijanden van Jan van Valkenburg, die zich in en om Orange bevinden (en het zijn er niet weinig). Een plan wordt gesmeed. Dit plan wordt een week na de officiële uittocht van Jan de Knuyt in daden omgezet. De samenzweerders wisten dat op een bepaalde avond de ontrouwe gouverneur een bezoek zou gaan brengen aan een bevriend edelman, de Heer de la Pise, in zijn hôtel particulier (zo worden in Frankrijk de stadshuizen der voornamen genoemd), in de benedenstad. Ze troffen de nodige voorbereidselen. Op de bewuste avond was alles gereed. Nauwelijks was Jan van Valkenburg door de Heer de la Pise in zijn huis ontvangen, of de hele wijk werd door de samenzweerders afgezet. Jan de Knuyt en een paar handlangers sloegen de voordeur van het hotel de la Pise aan splinters, maakten zich in een handomdraai van de adellijke woning meester, schoten werden gelost, een kogel ketste af tegen een muur – een kogel die een volkomen verraste Jan van Valkenburg in het hart trof. Ze hadden de verraderlijke gouverneur alleen maar gevangen willen nemen. Maar wie met vuurwapens speelt…  Een paar maanden later deed een nieuwe gouverneur zijn intocht in het prinsdom, Frederik Hendriks zwager, de burggraaf van Dohna. Jan de Knuyt werd tot “eerste edele” van Zeeland verheven.

Moraal

Om maar te zeggen, macht stijgt je al gauw naar de bol. Hebzucht is van alle tijden. En onder de zon van het Zuiden wordt iedereen heethoofdig, ook de anders zo koelbloedige Nederlanders. Laten we maar zeggen dat dit de moraal is van dit waargebeurde verhaal.

  1. 1 Reactie op “Uit de kroniek van Orange”

  2. Door M et Mme Coq, née Poule op 11 dec, 2009

    Jahààà! We gaan je boek lezen. Voorlopig laten we het nog even liggen op onze borreltafel – pronken met dat mooie kaft en die parmantige haan.

Reageer