Wandelingen

28 jul, 2010 Onderdeel van paysages

Column door Caspar Visser ‘t Hooft

Sinds ik in Frankrijk woon heb ik (met hond) wat afgewandeld! Misschien aardig om de wandelplekken die mijn voorkeur hadden eens de revue te laten passeren. Ik had natuurlijk als titel ‘mijn wandelingen’ kunnen zetten. Ik weet het, het is erg van deze tijd om het aldoor maar over ‘mijn’ dit of dat te hebben (‘mijn dieet,’, ‘mijn vakanties’, ‘mijn interieur’, ‘mijn verhaal’, ‘mijn waarheid’…). Daarmee suggerend dat horden mensen niets anders doen dan ernaar smachten te weten hoe je aan dit ‘mijn’ dit-of-dat bent gekomen. ‘Mijn’ – dat wil zeggen ‘van mij’, exclusief van mij, en niet van een ander – lekker niehiet! Want als ze het dan weten (zodat wat ik doe of consumeer zij ook kunnen doen of consumeren), dan hebben ze het gevoel dat iets van mijn heerlijke zelfgenoegzame exclusiviteit op hen overspringt. Want wat van iedereen is, dat is van niemand. Afijn, een merkwaardige logica, we hebben er allemaal een tik van de molen van meegekregen. Wat ik bij anderen doe, namelijk proberen in hun ‘mijn’ te delen, wil ik ook dat anderen bij mij doen: ik wil dat ze naar me loeren om de toverformule te ontdekken die van mij zo’n met-mezelf-tevreden, zelfgenoegzaam wezen maakt. Ik wil dat ze naar me loeren, veronderstel dat ze naar me loeren, en ik blaas me heerlijk op, ik ben een ongelooflijk bijzonder mens (I’m so special!) – wat een kul! Ze loeren niet naar je, en als ze naar je loeren, dan loeren ze niet méér naar jou dan jij dan jij naar hen loert. Nee, wanneer ik wandelingen maak, dan heb ik het niet over ‘mijn’ wandelingen. Wandelingen zijn nooit exclusief. Wie wandelt wil niet exclusief zijn. Alsjeblieft niet! Ski-boarden op een stuk elastiek, elastiek-springen op een surfplank zijn dat (zogenaamd) wel – ‘joh, dat is nou mijn sport’- wandelen is heerlijk rustig doen wat iedereen doet. Je hoeft niets te bewijzen, je hoeft niemand te benijden, gewoon je ene been voor het andere zetten – en laat de dingen maar komen…

Picardië

Toen ik in St Quentin woonde (wie woont daar nou? – ik dus) waren er drie plekken waar ik vaak kwam om te wandelen. Ik noem ze op. Ik wijd er niet over uit. Want dan wordt dit stukje te lang, met die lang uitgesponnen inleiding die het al heeft. Wie meer wil lezen over een van deze drie wandelplekkenn, die verwijs ik naar mijn eerdere column ‘Baksteen en pierre de taille’ Ik heb het daar over het pad rondom de hoge muren van de kasteel-ruïne van Coucy. Iets verderop, in het bos van St Gobain, heb je een eenzame valei met een paar zompige vijvers. Vroeger visvijvers, door monniken aangelegd. Ook een oude vervallen prieuré met een ronde toren (genaamd Le Tortoir) herinnert nog aan de tijd van deze broeders. Een plek waar ik graag met mijn hond kwam. Ja, net als in het bos rondom de abdij van Vauclair (een mooie, geheimzinnige bouwval – voor een schilderij van Caspar David Friedrich), gelegen tussen Laon en de chemin des Dames. Is er iets dat ik zoek in de omgeving van vervallen kloosters en abdijen? Een nagalm van gregoriaans gezongen nonen en metten? ‘t Is misschien net als bij mooie muziek, het moment van de grootste verrukking is het moment dat op de laatste noot volgt. Dan pas besef je hoe alle elementen die nodig waren om van het geheel een harmonie te maken hun plaats hebben gevonden. Nagalm…

Lotharingen

Na St Quentin woonde ik vijf jaar lang in Nancy. Daar wandelde ik met mijn hond in het grote stadspark dat zich achter de Place Stanislas uitstrekt: het park van de Pépinière met z’n kleine dierentuin compleet met apenrots (Gulliver, mijn hond, vond de apen eng) en berenkuil. Waar ik ook graag naar toe ging – maar dan moest je de auto pakken – was de ‘Franse’ kant van de Vogezen. Een vaste plek was het bos boven het stuwmeer van de Pierre Percée. Op een rots boven het meer staat het overblijfsel (een torentje) van het stamslot van de vorsten van Salm, die tot de Franse revolutie over een klein souverein prinsdommetje midden in het Vogezenmassief heersten. Zie hierover mijn column ‘Enclaves’. Een prachtige wandeling is ook de beklimming van de Donon (1000 meter). Ik hou van dennen. Een paar dennen, en ik denk aan mijn geliefde Zwitserland. Ja, een pluk dennen (kerstboomdennen) en liefst een stukje rots erbij en ik waan me in een soort voor-gebied van de hoge bergen. En soms ben je meer ergens in het voorgebied ervan dan in het ergens, dat wil zeggen het gebied, zelf. Zoals er soms – vaak – meer vreugde ligt in het verlangen naar iets, dan in de bevrediging van dit verlangen.

Lot-et-Garonne

In Noord Frankrijk, en vooral Oost Frankrijk heb je uitgestrekte bossen. Wandelplekken zijn er zo gevonden. In Zuid Frankrijk ligt dat anders. Er zijn minder bossen. En wat het open land betreft, het is altijd vàn iemand. Overal bordjes met ‘proprieté privée’, ‘défense d’entrer’, ‘chasse gardée’, ‘chien méchant’. De zes jaren dat ik in Agen woonde waren vette jaren, op het gebied van wandelplekken waren ze mager. Er was eigenlijk maar één wandeling: dat was over de brug (de pont canal) naar de overkant van de rivier, en daar over een pad langs het kanaal verder. Een mooie wandeling door het vlakke land van het dal van de Garonne, met zijn boomgaarden (de pruneaux d’Agen) en maisvelden. Links en rechts de heuvels (côteaux) met hun daken van plat uitgerekte cederkruinen.

Versailles

Ik hou niet van het park van Versailles. Teveel rechte lijnen. Ik kwam er vaak, want waar moest je anders naar toe? Ja, af en toe naar het zanderige Veluwe-achtige bos van Rambouillet – als je bereid bent veertig minuten te rijden. Dat bos is mooi. Je waant je al buiten de Parijse regio, wanneer je de te dure en afgelikte opgeknapte boerderijen (met electronisch bewaakte omheiningen) wegdenkt (als iets het mooie Frankrijk verpest…). Wanneer de westenwind door de parasolvormige kruinen van de ‘grove-dennen’ (pinus sylvestris) waait, dan doet hij zevenhonderd kilometer binnenlands de branding nog eens over.

Orange

Waar ik nu wandel ? Met Asterix (Asterix is de opvolger van Gulliver). Op de colline St Eutrope vlak boven Orange. Ja, een mooi wandelingetje met aan één kant de Ventoux en de bergen van de Drôme, aan de andere kant de eerste Cevennen. Een wandelinge-tje maar. Om nou vier of vijf keer het rondje te doen om er een echte wandeling van minstens anderhalf uur van te maken – nee… In de cederbossen boven Bédoin, op halve hoogte van de top van de Ventoux. Prachtig ! Nadeel: vijftig minuten met de auto. Ik zit hier nog niet zo lang. Ik heb nog de tijd om een échte favoriete en niet-te-verre wandelplek te vinden.

Reageer