St Sulpice, 11 september 2001

10 feb, 2011 Onderdeel van paysages

Column door Caspar Visser ‘t Hooft

Bij de halte St Sulpice waren we uit de Metro gestapt, voor een bezoek aan boekhandel ‘La Procure’ (enige boekhandel in Parijs met een behoorlijk aanbod theologische vakliteratuur), en voor een afspraak met onze professor Oude Testament. Een bevriende collega en ik waren sinds twee jaar onder zijn leiding bezig met een onderzoek over de redactiegeschiedenis van een van de moeilijkste hoofdstukken van het boek Numeri – een hoofdstuk waarin het volgende voorval wordt beschreven: het volk Israël hoereert met buitenlandse vrouwen, hiermee haalt het zich een plaag op de hals die 24.000 slachtoffers oplevert, de kleinzoon van de hogepriester Aaron, genaamd Pinhas, gaat een Israëlitisch stamhoofd achterna, die met een Madianitische prinses zich terugtrekt in een tent, hij doorboort ze met een lans, waarna de plaag ophoudt. Moeilijk hoofdstuk! Voordat we het Metrostation, diep onder de grond, verlieten, besloten we alvast twee kaartjes te kopen voor de terugrit, dan was dat alvast gebeurd. De vrouw achter het loket was dik, vadsig, onooglijk – net een pad, met gele ogen. Een beetje een eng mens. Voordat ze ons te woord stond, riep ze de persoon die voor ons aan de beurt was geweest en die nu plaats voor ons maakte nog iets toe. We verstonden: ‘… la fin du monde!’ (‘… het einde van de wereld!). Het klonk als een dreiging, en tegelijk een juichkreet. Vreemd…

Op een terrasje tegenover St Sulpice

We hadden de boeken die we zochten snel gevonden, we hadden de zure, net-niet-onbeleefdheid van de mensen achter de kassa overleefd (tien jaar geleden was er in heel Parijs geen winkel met onvriendelijker personeel dan de ‘christelijke’ La Procure’), en we hadden ons geïnstalleerd op een terrasje op het plein voor de barokke kerk St Sulpice. Ik weet het nog, het was een tamelijk grijze dag, nogal kil voor de maand september, 17 graden – zoiets, dat je denkt: gaan we binnen zitten, of toch buiten? Toch buiten. Sommige tafeltjes om ons heen waren bezet, andere niet. Om ons heen ook de gebruikelijke Parijse geluiden: verkeer, claxons – als even de auto’s voor een rood licht moesten stoppen, dan hoorde je het gespat van het water van de grote fontein die het midden van het plein uitmaakt, de wiekslag van duiven – en de stemmen van mensen, in alle talen. Aan deze geluidsmassa ontrukte zich op een gegeven moment de stem van een krantenverkoper. ‘Grèves en Bretagne!’ (‘Stakingen in Bretagne!) – schreeuwde hij, terwijl hij naderde met zijn stapeltje kranten. Parijs…

Gerucht

Waar het vandaan kwam, dat gerucht? Het was er opeens. En de krantenjongen hield even opeens zijn mond. Dat was – geloof ik – het eerste dat ons een beetje vreemd voorkwam. We keken opzij, en we zagen hoe hij in druk gesprek was met iemand aan een tafeltje. Ook zagen we een paar mensen opstaan en naar binnen lopen, het café in. Een beetje gehaast. We keken elkaar aan, we trokken onze wenkbrauwen op. Ach, Parijs… En toen hoorden we naast ons iemand zeggen – een vrouw, een Amerikaans accent: ‘The white house burns’. Hoorden we het goed? De vrouw had het tegen iemand die aan een ander tafeltje zat. Ze scheen er trouwens nogal rustig onder. De ander, tegen wie ze sprak niet: ‘What??’ We zagen meer mensen het café binnenlopen, ook andere cafés schenen plotseling erg in trek. Op zo’n moment denk je niet na, je volgt de stroom, wat we deden, en in een vol lokaal kregen we, op een televisiescherm in de hoogte, de beelden te zien van de twee vliegtuigen die de Twin Towers binnenvlogen. Het was nog geen twintig minuten eerder gebeurd.

Surrealistisch

Ja, het was allemaal nogal surrealistisch. Vooral toen we even later, met die beelden in ons hoofd, in zuidelijke richting de Rue de Rennes afliepen, met voor ons opdoemend de Tour Montparnasse, hoogste glazen skyscraper van Parijs. Ook herinner ik me nog hoe we die avond in die buurt met onze professor en nog iemand in een restaurantje zaten. Voor bij de koffie had onze professor ons elk een sigaartje aangeboden. En wij gezellig in onze hoek paffen (het was in die tijd blijkbaar nog niet strikt verboden). Op een gegeven moment kwam een Amerikaans echtpaar binnen zetten. Late gasten. Te laat. Een ober stelde hen vriendelijk voor over een half uur terug te komen, want alle tafels waren bezet. Of ze van plan waren op dit voorstel in te gaan of anders hun geluk ergens anders te beproeven, ik weet het niet. Wel weet ik dat ze ons in het oog kregen, dat ze naar ons toeliepen, en dat ze zomaar het woord tot ons richtten. Op een bezorgde toon. Of we wel beseften hoe gevaarlijk het was om te roken, dat je eraan dood ging. Ja, dat zeiden ze – niet meer, daarna liepen ze naar buiten. Tja, als je eenmaal op kruistocht bent uitgegaan, in dit geval tegen de tabak, dan zullen een brandend Witte Huis en twee ingestorte hoogste-torens-van-de-wereld, en zoveel duizend slachtoffers, je niet weerhouden – toch? 11 september 2001: dag die ik niet gauw vergeet.

  1. 2 Reacties op “St Sulpice, 11 september 2001”

  2. Door Maurits op 19 feb, 2011

    Vreemd dat je dat soort momenten – details en emoties – nooit vergeet. Ik zat in mijn kantoor met collega Dave Gelfand te debatteren over een lastig juridisch probleem waar we juist gezamenlijk een oplossing voor hadden gevonden. Een email knippert op het scherm “Disaster, our NY office burns”. We keken elkaar stomverbaasd aan en renden naar boven. Binnen enkele minuten werden de beelden van CNN geprojecteerd op een groot scherm in de “New York” conference room op de 9e verdieping. 80 mensen staren naar het scherm in doodse stilte, terwijl onze collegae in New York 35-45 verdiepingen naar beneden liepen. Van hen werd gelukkig niemand gewond, behalve een persoon die een brok cement op het hoofd kreeg — en het bleek niet ons kantoor te zijn, maar de buren. Ik herinner me dat vreemde gevoel van verslagenheid, gecombineerd met dankbaarheid, tijdens de impromptu herdenkingsceremonie de volgende dag. Ons NY kantoor was dagenlang onder observatie omdat men dacht dat het zou instorten, en was maandenlang onbruikbaar, maar honderden van onze collegae werden gedurende die tijd gehuisvest door onze meest felle concurrenten. Dat gemengd gevoel van tragiek, energie en solidariteit duurde nog maanden. Vreemde tijden.

  3. Door roetman op 21 feb, 2011

    De vreemdheid van die dag gaf het gevoel dat iedereen opeens zonder pardon bij elkaar naar binnen mocht kijken. Plotsklaps staat iedereen in een directe onpersoonlijke relatie tot elkaar. Alsof het uur van de waarheid heeft geklonken en nu alles tegen elkaar gezegd kan worden, zonder schroom en zonder gêne.Inderdaad heel vervreemdend

Reageer