Een legende

7 dec, 2011 Onderdeel van paysages

Column door Caspar Visser ‘t Hooft

Op een plein in Orange staat het wit-marmeren standbeeld van Raimbaud d’Orange : een ridder in een lang gewaad boven een maliënkolder, met op zijn hoofd een kroon. Voor dit kunstwerk, dat in 1846 in de Parijse Salon werd tentoongesteld, ontving de beeldhouwer de medaille eerste klasse. Wie was deze Raimbaud d’Orange ? Hij was graaf van Orange, en ook van Nice ( !). Volgens de bronnen leefde hij van 1066 tot 1121, maar sommige historici trekken deze data in twijfel. Zeker is dat hij in het begin van de twaalfde eeuw in het heilige land stierf. Raimbaud behoorde tot de eerste dynastie van souvereine heersers van Orange, het geslacht Des Baux (van Les Baux de Provence). Door huwelijk kwam het graafschap/prinsdom vervolgens in het bezit van leden van het geslacht Chalons, om tenslotte via René de Chalons over te gaan op onze Zwijger en zijn afstammelingen. Maar dat was vier eeuwen later. Raimbaud d’Orange was een befaamd kruisvaarder. Over hem bestaat een mooie, wonderlijke legende, die ik graag vertel.

De put van verlangens

Op een warme zomerdag maakte Raimbaud een lange rit op zijn zwarte paard Albran. De zon stak, de wegen waren stoffig, Raimbaud kreeg dorst. In de nabijheid van een armelijke hut werd hij een put gewaar. Hij hield halt en hij vroeg aan een jong meisje dat uit de hut kwam snellen om haar heer en meester van dienst te zijn, of hij voor haar water uit de put wilde scheppen. Het jonge meisje, genaamd Thibaude, deed wat haar werd gevraagd, en reikte even later Raimbaud – hoog in zijn zadel – een beker aan. Toen Raimbaud zijn dorst had gelest, beloonde hij het meisje door haar, voorover buigend, een paar penningen in de hand te stoppen. In plaats van deze penningen in een zak van haar schort te steken, liep ze ermee naar de put. Ze nam het woord, en ze legde haar heer en meester uit dat de put een puits à souhaits was : wie eruit dronk, gooide er een paar munten in, waarop hij een verlangen uitsprak. En dit verlangen werd altijd vervuld. Thibaude was nog niet uitgesproken of ze had de penningen die ze zojuist had ontvangen in de put geworpen. Waarom doe je dat ? – vroeg Raimbaud, ten hoogste verbaasd : Die penningen heb je vast en zeker zelf hard nodig ! Raimbaud keek nog eens naar de hut, zag de vervallen staat ervan, zag de vodden die Thibaude om haar ranke lichaam hingen. Het antwoord liet niet op zich wachten : Iedereen weet dat u binnenkort op kruistocht gaat om het graf van Onze Lieve Heer te bevrijden, ik heb zojuist de wens gedaan dat uw ondernemen zou slagen, en dat u heelhuids weer terug zou keren.

Raimbaud en Thibaude

Raimbaud behoorde tot de grote leiders van de eerste kruistocht. Met Godfried van Bouillon, de bisschop van Le Puy, de graaf van Toulouse, Bohémond van Sicilië en andere vorsten die, evenals hij, voorkomen in het epos ‘Jeruzalem bevrijd’ (La Gerusalemme delivrata) van Torquato Tasso, veroverde hij Antiochië, versloeg hij de Turken bij Bethlehem, bezette hij Jeruzalem. Het heilige land was al gauw veilig en wel in handen van de christenen. En met roem beladen keerde Raimbaud terug naar zijn provençaals vorstendom. Op een goede dag dwaalde hij weer rond op zijn paard Aldran door zijn zonovergoten domein aan de voet van de Mons Ventosus (of Mont Vintur). Toevallig reed hij daarbij langs het hutje van Thibaude. De plek heet trouwens (nog steeds) Le clos de l’Escarras. Thibaude zat op een krukje buiten, voor de voordeur. Ze borduurde. Ze keek op, haar donkere ogen glansden, ze glimlachte – en Raimbaud besefte plotseling dat hij gedurende de maanden en maanden dat hij in het heilige land oorlog voerde in al zijn dromen deze glimlach voor zich had gezien. Weer boog hij naar haar voorover, ditmaal om haar zijn hand te reiken, die ze aannam, om vervolgens zijn arm om haar middel te slaan en haar met een brede zwaai achterop in het zadel te hijsen. Niet veel later werd met veel bazuingeschal en paukenslag een huwelijk aangekondigd : de roemrijke graaf van Orange met het mooie boerenmeisje Thibaude.

Mensbeeld

Wie bij dit soort verhalen zijn schouders optrekt – domme fabeltjes ! – is een geestelijk mismaakt wezen. En helaas lopen er nogal wat van dit species rond. Maar we leven dan ook in een samenleving waarvan de structuur op een buitengewoon armetierig mensbeeld is gegrondvest. Het mensbeeld van Bentham en de utilitaristen. Het leven wordt beschouwd enkel in termen van nut. Deugdzaam handelen is een kwestie van het afwegen van winst en verlies. En winst is wat individuele bevrediging in de zin van plezier verschaft. Neem daarbij het waanzinnige dogma van de ‘onzichtbare hand’ van Benthams tijdgenoot Adam Smith – een vrij zich laten uitleven van onze individuele egoïsmen op de markt (zonder inmenging van welke groepsinstantie dan ook) bevordert op den duur de algemene harmonie (pech voor de slachtoffers die tijdens dit ‘op den duur’ vallen, maar die pech hoort er nu eenmaal bij) – en we hebben de platte neo-liberale tiranie waar we tegenwoordig onder zuchten en waaraan zoveel massa’s mensen (de pechvogels) te gronde gaan. Tijd om weer eens mensen als Thomas Carlyle te lezen, On heroes and hero-worhip. Ik citeer in de wilde weg : ‘Degenen die beweren dat de mens van nature makkelijk te verleiden is, begaan het grootst mogelijk onrecht jegens de mens. Ten diepste is het niet het geluk dat de mens najaagt, maar iets dat veel dieper ligt. Het kan hem brengen tot zelfverzaking (prachtig woord !), zelfopoffering’ enzovoort. Kortom, de mens is nobeler dan het consumerende onderkruipsel met zijn spandoekjes-ideeën dat we van hem hebben willen maken. Er is een vonk in hem die erop wacht op te laaien, voor een ideaal, een groots toekomstbeeld, iets goddelijks. Sprookjes, legendes herinneren ons eraan. Zo, dit wilde ik even zeggen. Tja…

O ja, ik had het over de kruistochten. Volgens de politie-correcte spandoekjes had ik er natuurlijk als de glossy versie van een schooljuf met een knijpbril en een knot meteen mijn afkeuring over moeten uitspreken. Ik heb wat anders gedaan. Toen ik Carlyle citeerde, citeerde ik uit het mooie hoofdstuk waarin hij het over de profeet Mohammed heeft. Volgens Carlyle is hij het type van de prophet-hero.

Reageer