En ze waren welkom

18 mrt, 2012 Onderdeel van politiques

Column door Caspar Visser ‘t Hooft

Dat was nog eens een gouden eeuw, dat Nederland tienduizenden buitenlanders niet alleen binnen haar grenzen toeliet, maar zelfs ertoe aanspoorde bij haar asiel te komen zoeken ! Ja, ertoe aanspoorde ! Ik heb het over de Franse Hugenoten. Ach ja, we waren rijk – gigantisch rijk – in de zeventiende en de eerste helft van de achttiende eeuw. Wie rijk is kan het zich veroorloven genereus te zijn, en waar ondernemed élan is, daar zijn alle krachten welkom. Waar welvaart met dynamiek en expansie gepaard gaat, daar is plaats voor iedereen : iedereen wordt in de vaart meegezogen. Nu stagneert de economie. Opvang, asiel, gastvrijheid, het schijnt luxe te zijn geworden. Het moge zo zijn. Maar laat het wel een mooi ideaal blijven. Op z’n minst, want zo arm dat we niemand meer kunnen ontvangen zijn we nu ook weer niet. De brede geste van de gastvrijheid, het is zoveel nobeler dan het bitse mondje dat bijvoorbeeld over ‘profiteren van onze voorzieningen’ begint. Ja, ook wanneer je deze bitsheid met een laagje ‘compassie’ opschminkt. Wat een prachtige tijd, toen we nog gastvrij waren ! Laten we alleen al daarom hopen dat onze economie die zo jammerlijk is vastgelopen op mondiale geldspeculatie weer gauw wordt omgebogen naar (meer) investering in ondernemend handelen en vernieuwende industrie, en dat dit wordt gekoppeld aan een fiere, opgewekte politiek die een door ieder gedeelde welvaart op het oog heeft, en ook een eerlijk delen van de lasten – want dat gasten soms lastig zijn (het zijn per slot van rekening mensen), dat heb je ook. Het élan, en op den duur ongetwijfeld de rijkdom, die daaruit voortkomen, zullen maken dat we ons weer genereus en gastvrij kunnen tonen. We stonden er altijd om bekend. Het bepaalt onze typisch Nederlandse identiteit (en dat doet niet dat kneuterige stel – hoe heten ze ook alweer? O ja, Henk en Ingrid). Maar om terug te komen op de Hugenoten…

Nationale rouw

In een boek over de geschiedenis van de refuge, dat wil zeggen van het asiel dat de Franse protestanten na de herroeping van de Edict van Nantes, in 1685, in het buitenland vonden, las ik iets dat ik nergens anders ben tegengekomen. Ik raadpleeg P.J. Blok, ‘Geschiedenis van het Nederlandse volk’ (vier dikke delen) – tevergeefs. Precies een maand nadat de herroeping van het Edict van Nantes in Frankrijk van kracht was gegaan en daarmee het protestantisme in Frankrijk tot verboden godsdienst was verklaard, op 21 november 1685, vond in onze Republiek, op last van de afgevaardigden van de Zeven Provincieën, een nationale rouwdag plaats. Alle arbeid werd neergelegd, en in alle kerken van het land vonden drie opeenvolgende diensten plaats. Horen jullie de klokken luiden, de hele dag lang? En dit pure sympathie en solidariteit met het vervolgde Hugenotenvolk. Maar hier bleef het niet bij. Onze steden wedijverden met elkaar wie de meeste voortvluchtige Hugenoten wist aan te trekken. Dit staat wél uitgebreid in de Geschiedenis van P.J. Blok. De Hollandse steden, Middelburg, Utrecht, Groningen – wanneer de ene bepaalde voordelen aanbood, dan deed de andere er een schepje bovenop : onvoorwaardelijk burgerschap, zoveel jaren belastingvrijheid… En zo vonden in een paar jaar tijds ongeveer zestigduizend Hugenoten bij ons asiel. En ons land voer er wel bij. Want wat die Hugenoten met zich meebrachten was expertise op allerlei gebieden : textielbewerking, boekdrukkunst, het krantenwezen, geldhandel, noem maar op. Hun komst heeft tot onze welvaart, die al buitengewoon was, bijgedragen. Zoals die van de Portugese Joden dat eveneens had gedaan, toen zij bij ons een gastvrije haven vonden.

Integratie

En toch bleef er aan die Franse asielzoekers (en -vinders) een luchtje hangen. Voor de brave Nederlandse burgers was nu eenmaal alles wat Frans was een beetje frivool en lichtzinnig. En die Hugenoten mochten dan nog zo streng-calvinistisch zijn, iets van de reputatie van hun katholieke en tegelijkertijd wat libertijnse landgenoten bleef hen aankleven. De mensen maakten geen verre reizen zoals nu, hadden geen televisie, je hoefde daarom niet vanuit een ver land afkomstig te zijn om al bijzonder exotisch over te komen. Ondanks het belijden van een zelfde geloof waren al die Fransozen die daar opeens onze steden kwamen bevolken vreemde vogels – misschien net zo vreemd als voor ons nu Midden-Oosterlingen en Afrikanen dat zijn. Toch waren één of op z’n hoogst twee generaties voor hen genoeg om volkomen met ons te versmelten (en wij met hen). Een Franse markies had nog een poging gedaan om in Friesland een soort kolonie voor zijn uitgeweken landgenoten te stichten (hij kreeg daarbij de steun van de prinses van Oranje), maar dat liep op niets uit. Nee, de ‘integratie’ was totaal. De meeste nieuwkomers veranderden trouwens al gauw hun namen : Dupont werd Van de Brug, Meunier werd Molenaar, Leblanc De Wit enzovoort. Het enige wat de afstammelingen van de Hugenoten behielden, waren hun Waalse kerken, thans een niet-geografisch bepaalde classis binnen de Protestantse Kerk in Nederland. Nog lange tijd kerkten daar de Crommelins, de Guépins, de Labouchère’s, de Collot D’Escury’s, de Dutilhs, de De Monchy’s, de Boissevains enzovoort – keurig nette families (zoals dat heet), die op die manier hun Franse oorsprong nooit helemaal vergaten. En waarom zouden ze ook?

Een brave zoon, een vittende vader

Ja, de integratie verliep snel. Zo snel dat de Franse uitgewekenen al spoedig, onder invloed van het Nederlands, hun eigen taal begonnen te verbasteren. Ja, een paar jaren slechts na de herroeping van de het Edict van Nantes maakte de zoon van de grote schrijver Racine een reis door ons land. Deze zoon was een braaf jongmens, hij schreef geregeld brieven aan zijn vader waarin hij van zijn wederwaardigheden verslag deed. In deze brieven kwamen volgens Racine taalfouten voor die hij toeschreef aan het lezen van sommige Nederlandse ‘gazetten’ – kranten waarin de Franse taal werd gebezigd en waarvan de artikelen voor een groot deel uit de koker kwamen van uitgeweken Hugenoten (leden van de families Huet en Luzac bijvoorbeeld). In zijn antwoorden kon de taalkunstenaar Racine niet nalaten hierop te wijzen (1) :

« Mijn geliefde zoon, gij bezorgt me veel plezier met uw berichten : maar hoedt u ervoor ze uit de Hollandse gazetten te putten, want afgezien van de omstandigheid dat wij er net zo goed over beschikken als gijlieden, zoudt gij er woorden uit kunnen overnemen die niets waard zijn. Het woord recruter bijvoorbeeld. In plaats hiervan moet men faire des recrues zeggen. »

« Het verslag van uw reis naar Amsterdam verschafte mij zeer veel plezier. Ik kon niet nalaten het aan de heren de Valincourt en Despréaux voor te lezen. Ik heb me ervoor gewacht om al lezende het merkwaardige woord tentatif te herhalen dat gij van de een of andere Hollander hebt geleerd, het zou hen ten hoogste hebben verbaasd. »

« Gij staat mij toe een kleine aanmerking te plaatsen bij een woord uit uw schrijven : Il en a agi avec politesse ; men moet zeggen il en a usé. Men zegt niet il en a agi, het is geen manier van spreken. »

Zou Racine-fils zich zo nu en dan toch een beetje aan zijn vader heben geërgerd?

(1) « Mon cher fils, vous me faites plaisir de me mander des nouvelles : mais prenez garde de ne les pas prendre dans les gazettes de Hollande ; car, outre que nous les avons comme vous, vous y pourriez prendre certains termes qui ne valent rien, comme celui de « recruter », dont vous vous servez, au lieu de quoi il faut dire « faire des recrues. »

« Votre relation du voyage que vous avez fait à Amsterdam m’a fait un très-grand plaisir. Je n’ai pu m’empêcher de la lire à MM. de Valincourt et Despréaux. Je me gardai bien en la lisant de leur lire l’étrange mot de « tentatif », que vous avez appris de quelque Hollandais, et qui les aurait beaucoup étonnés. »

« Vous voulez que je vous fasse une petite critique sur un mot de votre lettre : « il en a agi avec politesse » ; il faut dire : « il en a usé ». On ne dit point « il en a bien agi », et c’est une mauvaise façon de parler. »

Reageer