Saartje Bernard

1 mei, 2012 Onderdeel van paysages

Column door Caspar Visser ‘t Hooft

Waarom ik blader in een folder bestemd voor toeristen die Orange bezoeken ? Ik die er al bijna drie jaar woon ? Ik weet het niet, ik doe het, ik heb blijkbaar even niets beters te doen. Ik tuur naar de halve bladzijde waarop de belangrijkste data van de geschiedenis van het oord worden aangegeven en mijn blik valt op de volgende vermelding : 1903 – Sarah Bernhardt speelt Phèdre in het antieke theater. Kijk, dat beschouw ik nu als beschaving, dat temidden van allerlei historische feiten, over oorlogen, over koningen, over volksbewegingen, ook gewag wordt gemaakt van mijlpalen in het artistieke leven. Ja, want Sarah Berhardt, dat moet iemand zijn geweest ! In 1903 was ze bijna zestig – ja, en wat dan nog ? Tot ver in de zestig bleef ze de Aiglon in het gelijknamige stuk van Rostand spelen, anders gezegd een jongen van achttien. Zelfs nadat in 1915 haar rechterbeen werd geamputeerd, bleef ze doorspelen. Echte grote mensen zijn leeftijdloos. Sarah Bernhardt ! – als haar moeder als heel jong meisje niet op een goede dag en op de bonnefooi vanuit Nederland naar Parijs was gereisd, dan was ze waarschijnlijk nooit de wereldberoemde actrice geworden die ze werd, maar was ze opgegroeid als het Amsterdamse meisje Saartje Bernard. De schrijver Busken Huet heeft destijds het verhaal van Sarah Bernhardts Nederlandse moeder opgetekend. Misschien is het aardig om het weer eens op te halen.

Twee meisjes en geen sou

Ik citeer Busken Huet (1) : In het najaar van 1845 kwam de ‘stoelenzetster’ in de tuin van het Palais-Royal twee zeer jonge meisjes tegen, die blijkbaar geen Parisiennes waren, en die geruime tijd van de gelegenheid tot uitrusten gebruik hadden gemaakt et zich hadden geamuseerd met het kijken naar de voorbijgangers. De stoelenzetster kwam om de gebruikelijke huurpenningen vragen (voor het gebruik van de stoelen waar ze op zaten) : vijf centimes per persoon. De meisjes, waarvan de oudste vijftien jaar scheen te tellen en de andere een weinig jonger, lachten haar uit : geen sou hadden zij op zak. Gekheid ! – zei de vrouw. Loop rondom – luidde het antwoord. De tuinbewaarder kwam er zich mee bemoeien. En daarop een politie-agent die de meisjes naar het bureau van de commissaris bracht. Daar lokte het ene woord het andere uit. De kinderen bezaten letterlijk geen halve cent. Zij waren (om welke reden ? – dat scheen de taille van de jongste te verraden) het ouderlijk huis in Amsterdam ontvlucht, hadden plaats genomen in de diligence naar Parijs, hadden een voor de schijn met stukken hout volgeladen koffer in pand gegeven aan een hotelhouder, en waren met haar beidjes in de tuin van het Palais-Royal komen wandelen. De commissaris schijnt een humaan man te zijn geweest, Wellicht schreef hij aan de ouders. De zusjes werden aan een onderkomen geholpen, en twee maanden later beviel de veertienjarige, genaamd Judith-Julie, van haar eerste kind. Dit kind was niet Sarah, die zou later komen. Judith-Julie werd een befaamde Parijse courtisane, er volgden nog elf kinderen. Tot hen behoorde Sarah.

Mijn grootmoeder in Parijs

Ik heb het altijd leuk gevonden om naar de verhalen van mijn grootouders en andere oudere leden van de familie te luisteren. Zo heeft mijn grootmoeder destijds (wanneer precies?) Sarah Bernhardt in Parijs nog zien spelen, in de rol van de Aiglon. Ze was al oud, zo werd erbij gezegd, en toch ‘wàs ze’ de jongen die ze speelde. Over mijn grootmoeder gesproken, een oom van mij ging eens met haar naar een voorstelling van een bekende cabaretier. Dat moet ergens in de jaren dertig zijn geweest. Zelden had mijn oom, die nog een jongen was, zich zo voor zijn moeder geschaamd. Ze lachte namelijk zo hard, dat haar lachen een soort continu loeien werd : hoeoeoeoe-hoeoeoe. Tja, dat heb je wanneer je ouder bent, vanaf een bepaalde leeftijd gaan je kinderen zich voor je schamen. Ik hou van die oude verhalen. Zo heb ik ook horen vertellen dat de vader van mijn grootmoeder in de klas zat met Louis Couperus. Deze laatste had zwart haar en één witte lok. Mijn overgrootvader en zijn vrindjes, die Louis Couperus een ‘precieus’ persoon vonden, amuseerden zich ermee hun flesjes inkt op deze witte lok leeg te gieten. Ach ja, oude verhalen…

(1) Sarah Bernhardt, C. Busken Huet, in Dietsche Warande Nieuwe Reeks, Deel 2, van Langenhuysen, Amsterdam, 1879

Reageer