Souvenir de Menton

27 jun, 2012 Onderdeel van paysages

Column door Caspar Visser ‘t Hooft

Die winter had ik een oorontsteking. Ik was nog maar nauwelijks beter of ik moest me laten keuren voor het leger. Ik herinner me een mistroostig gebouw – ik geloof in Leidschendam, of anders in Rijswijk – een honderdtal tieners van ongeveer mijn leeftijd (net achttien), en een jongen die bang was voor de prik in de binnenkant van de elleboog, en die half op een bed lag bij de verpleger omdat hij iedereen voor liet gaan. Ik was niet bang, of wist me althans groot te houden. Een paar dagen later kwam de uitslag : afgekeurd. Vlag uit ! Mijn moeder was minder opgetogen. De reden was namelijk dat ik te licht was. Gezien mijn grootte woog ik te weinig. Ik herinner me niet meer welke dag in de week dat was, wel dat we de zaterdag daarop in de trein zaten : Den Haag-Hollands Spoor – Brussel/ Nachttrein Brussel – Ventimiglia. Mijn moeder had besloten dat ik zou bij-eten. En waar doe je dat beter dan ik Frankrijk ? Twee weken lang. Mijn school, het Haags Montessori-lyceum, maakte geen bezwaar. De bestemming was Menton, omdat het eind februari was, en omdat alleen aan de Riviera de zon scheen. Ook omdat daar een pension stond (nu niet meer) waar een oom en tante van mijn moeder geregeld de winter uitzaten. Het was daarom bekend terrein.

Het pension

Les Citronniers was een witte suikertaart, opgetrokken – naar ik vermoed – rond de eeuwwisseling 1800-1900. Het lag achteraf in een tuin met palmen, granaatappelstruiken en oleanders. Vanuit een hoog gietijzeren hek met aan weerszijden pilaren met daarop stenen vaasjes, leidde een breed grindpad, door citroenstruiken in potten omzoomd, naar een trap en een bordes. Ik moet opeens denken aan Couperus – De stille kracht : ‘De huizen doken weg in het lover van hun tuinen, met de regelmatig opblankende rissen der grote gekalkte bloempotten’. Wij hadden een klein appartement gehuurd. Mijn moeder sliep in een grote kamer met een bay-window die op het grindpad uitkeek, ik sliep in wat eigenlijk een keuken was, met een uitzicht op een donker binnentuintje. Ik bewaar hier een zeer precieze herinnering aan. Elke dag zat ik daar een uur of twee-drie achter een tafel, die voor het raam was geschoven. Ik moest blokken voor mijn eindexamen. Ik weet nog hoe ik de Medea van Euripides vertaalde. Als ik er even genoeg van had, las ik een paar bladzijden uit Het land van herkomst (Du Perron) en ook uit Zelfportret als legkaart van Hella Haasse. Twee boeken die ik had meegenomen. Is dat de reden waarom mijn herinnering aan Menton als het ware is doortrokken van beelden van het oude Nederlands Indië, dat ik nooit heb gekend, maar waar ik me wel zoals iedereen een voorstelling van maak ?

Oudoom en oudtante

Mijn oudoom en oudtante, oom Emile en tante Lila Van H tot E (ja, een mooie oude naam met een ‘tot’ in het midden !) waren toen te oud om nog op reis te gaan. Ze kwamen niet meer in Menton. Toch kon ik me heel goed hun aanwezigheid in Menton voor de geest toveren. Ik zag ze wandelen, op de boulevard, in de richting van de Cap Martin, of zitten op een bankje in een klein prieel met yucca’s, myrte en ander mediterraan flora, met een uizicht op het azuur van de zee. Net als de Engelse kolonel met zijn snor en zijn vrouw, en ook de Duitse Herr Professor en zijn gade, allen op dat zelfde bankje, pasten zij in een decor dat ondanks grote witte slijtplekken nog steeds uit het Fin de Siècle stamde. Over mijn oudoom gesproken, in de familie deed een amusante anecdote de ronde. In het mannelijk deel ervan althans. De dames, en vooral de meisjes kregen dit soort verhalen niet te horen. Mijn oudoom was destijds, begin jaren dertig, gezant in Caïro. Tegenwoordig is iedereen maar ambassadeur, zelfs wanneer hij of zij Nederland representeert in de minste bananen- en/of boevenrepubliek. Vroeger werd alleen aan onze vertegenwoordigers in de belangrijkste hoofdsteden op de wereld (Parijs, Londen, Berlijn, Washington, Wenen, Rome enzovoort) de titel ambassadeur verleend, naar de andere landen stuurden we ‘gezanten’. Dit tussen haakjes. Om vanuit Nederland naar Caïro te reizen namen oom Emilie en tante Lila de Orient-Express (gaat het verhaal). In de restauratiewagen, waar hij met tante Lila dineerde, werd oom Emile een paar tafeltjes verder een schone dame gewaar. Was ze een cocotte ? In ieder geval sloop oom Emile diezelfde nacht nog uit zijn coupé, in zijn pyama, om een paar wagons verder bij haar een paar genoeglijke uren te beleven. En de trein maar voortdenderen door de nacht, door de koninkrijken Joegoslavië, Montenegro, Bulgarije, over rails en wissels : tedoem, tedoem, tedoem… Toen oom Emilie vroeg die morgen wakker werd – wat bleek ? Het treinstel waarin zich zijn eigen coupé bevond, met tante Lila erin, was bij een of ander station afgekoppeld, aan een nieuwe locomotief gehaakt om vervolgens naar Istanbul door te reizen. Hijzelf was op weg naar Sofia. Bij de eerstvolgende halte nam hij afscheid van de schone dame, stapte hij in zijn pyama uit de trein, meldde hij zich bij de stationschef : Ik ben de Nederlandse gezant in Caïro, op weg naar mijn standplaats. Je ziet het voor je. Enfin, zo’n familie-verhaal moet je natuurlijk met een flinke korrel zout nemen. Oom Emile en tante Lila waren een bijzonder hecht paar. Zij was een toegewijde zorg gedurende alle jaren dat hij aan de tuberculose leed, en hij was goed voor haar toen ze op haar stokoude dag begon te dementeren. Oom Emile was trouwens een interessant persoon. Zo’n kleine écart in je jongere jaren, briljant is het natuurlijk niet, wel menselijk. Tja…

Het graf van een Gouverneur-Generaal en zijn vrouw

Nu we het toch over die kant van de familie hebben. Mijn moeder en ik maakten op een zekere middag een wandeling naar het hoger gelegen deel van Menton, daar waar zich op een heuvel de begraafplaats bevindt. Daar vonden we de graven van een oudoom en oudtante van zowel mijn grootmoeder als van mijn oudoom Emile (volgen jullie me nog?). Ze waren half door droge planten overwoekerd, de inschriften op de steen waren danig afgesleten. Maar we konden het nog duidelijk lezen : Johan Wilhelm Van Lansberge en Rafaëla Van Lansberge, geboren – ik ben haar meisjesnaam vergeten (1). Hij was in de jaren tachtig van de negentiende eeuw Gouverneur-Generaal van Nederlands Indië, zijn vrouw was een Colombiaanse, ze brachten hun laatste levensjaren door in Menton, waar ze in 1905 stierven. Om maar te zeggen, de band met Menton ging ver terug. Heeft ook dit bijgedragen tot het ‘Indische’ dat zich in mijn verbeelding aan dat stadje aan de Riviera heeft gehecht ? Die Gouverneur-Generaal die daar te ruste ligt ?

Wandeling

Het loopt tegen vijven. Ik wandel over het pad dat slingert onder de tuinen van de villa’s van de Cap Martin, en boven de rotsen die in de zee storten. Boven mij steken de pijnbomen met hun parapasol-vormen zich donker af – als getekend met oostindische inkt – tegen een hemel die boven nog blauw is, maar die lager in een wittig paars overgaat. Af en toe een ajouren stenen muurtje, of een witgekalkte vaas, of een beeld. De zee beneden klotst, spat tegen de nat-schijnende rotsen op, groenig van de algen, trekt zich dan weer terug, als door een onderzees wezen naar beneden gezogen. Om daarna weer op te bollen, klaar voor een zoveelste bestorming. Het geluid verstomt enigszins, lijkt verder weg wanneer het pad bij de punt van de Cap een bocht maakt. Dat uitzicht op de baai ! Menton, verderop Ventimiglia, Bordighera. Op de toppen van de bergen ligt nog sneeuw.

O ja, toen we na twee weken terug reisden was ik vier kilo aangekomen. Zou ik dan zijn gekeurd, dan had ik het leger in gemogen, of gemoeten. Ik had op alle fronten gewonnen !

(1) Deze GG en zijn vrouw komen voor in mijn novelle Sneeuw voor de zon (opgenomen in de bundel Ontwaken). Ik heb hun naam daar veranderd in Van Welbergen. Ook over deze mensen werd in de familie een grappig verhaal verteld, dat ik in Sneeuw voor de zon ophaal.

  1. 4 Reacties op “Souvenir de Menton”

  2. Door Michael Berg op 4 jul, 2012

    Wat een heerlijk stukje. Een beetje Couperus, maar dan ondeugender.

  3. Door Henri Bik op 10 jul, 2012

    Johan Wilhelm Van Lansberge is in Colombia geboren en zijn moeder was een Spaanse of Colombiaanse dame: Victoria Maria Rodriguez (y Escobar),

    De meisjesnaam van Johan’s vrouw Rafaela is: Ricarda del Villar (y Battle) , zij werd in Madrid geboren als dochter van een Spaanse militair.
    Ik heb het tweede deel van haar meisjesnaam tussen haakjes gezet omdat dat de meisjesnaam van haar moeder is. In Spanje voeren mensen als achternaam de achternamen van vader + moeder.

    Deze gegevens ontleen ik aan:
    http://www.geneagraphie.com/getperson.php?personID=I479141&tree=1

  4. Door De Schrijver in Frankrijk op 10 jul, 2012

    Dank! Wat aardig, die informatie.
    Ik meen me ook vaag een verhaal over een schaking te herinneren. Hij zou haar geschaakt hebben. Ik zal hier eens m’n licht over opsteken.

  5. Door Reinhart van Lansberge op 7 okt, 2012

    Dank voor je prachtige verhaal. De aanvullingen kloppen helemaal. Zijn moeder was een Colombiaanse. Johan Wilhelm biedt vele bijzonder verhalen en inderdaad hij heeft als protestant zijn katholieke vrouw in Madrid geschaakt. Daarnaast heeft hij goed viool gespeeld en vele insekten en orchideeen verzameld -zie onder lansbergii- een hobby ook van zijn vader.

Reageer