Werkmoraal

2 aug, 2012 Onderdeel van proses

Column door Caspar Visser ‘t Hooft

In Feniksbloem vlecht ik verscheidene motieven samen rondom het thema van een plantje waarvan men dacht dat het was uitgestorven en dat een eenw later wordt teruggevonden, in een andere omgeving dan waar het oorspronkelijk voorkwam. Een van deze motieven (niet het enige) betreft een nogal veel voorkomende strategie om de grote zinvraag te ontwijken, of liever gezegd te bedekken : het zwelgen in schuldgevoelens. Tja, altijd maar weer dat bittere onkruid van de schuldgevoelens ! Zo banaal, en zo onuitroeibaar tegelijk. De hoofdpersoon, Ernst Van Vreeze, heeft van huis uit een opgeschroefde werkmoraal meegekregen. Een zinnetje – één moordend zinnetje – dat zijn grootvader in zijn bijzijn placht te herhalen is hem altijd bijgebleven, als een vlijmscherpe doorn in zijn vlees : ‘Wie niet werkt is een dief’.

Wie niet werkt is een dief 

Veel is er sindsdien niet voor nodig om hem op stang te jagen door toespelingen te maken op zijn arbeidsinzet en zijn werkritme. In Feniksbloem ontstaat er voor de hoofdpersoon een situatie waarin dergelijke toespelingen even geen vat meer op hem hebben. Hij heeft zojuist ontslag genomen bij de instantie waar hij tot dusver werkzaam was, en hij wacht op een nieuwe baan die hem is toegezegd. Hij bevindt zich in een soort luchtledige, en toch kan hij zichzelf niet verwijten dat hij een dief is. In deze tussenperiode kan hij zich nu eenmaal even niet ‘voor de zaak inzetten’. En dan beseft Ernst dat de stem van zijn grootvader (‘Wie niet werkt is een dief’) en zijn eigen schuldgevoelens niets anders waren dan een manier om de vraag naar de zin van het leven, van alles, te overschreeuwen. Door het schuld-en-boete schema als het ware over het zwarte gat van de zinloosheid te spannen moffelde hij de griezelige zinvraag weg. Is dit motief erg generatie-gebonden ? Misschien. Ernst is van middelbare leeftijd, in zijn generatie zijn er nog die ermee zitten.

Citaat

Ernst moet door dit moment van waarheid heen om verder te kunnen. Mede dankzij een ontmoeting met mensen die er een heel andere levenshouding op nahouden (Vanja en zijn zuster Olga) komt hij tot inzichten die hem een zekere innerlijk rust verschaffen. Misschien is het aardig om hier uit Feniksbloem te citeren : Je hebt kortzichtige mensen. Dat zijn de mensen die in paniek raken wanneer ze de resultaten van hun doen uit het gezicht verliezen. Wanneer de dingen ‘out of control’ raken. Dan stort de wereld voor hen in. Hoe weet je dan nog of je een gezegend mens bent of niet, of je tot de uitverkorenen behoort of niet? Waar kun je dat nog aan afmeten, zien? De meeste mensen denken natuurlijk niet meer in termen van ‘gezegend mens’ en ‘uitverkoren’, deze begrippen zijn tot rook vervluchtigd. Toch zijn de gevoelens en de angsten die ze opriepen blijven spoken. Misschien spoken ze des te meer dat ze niet meer in termen worden gevangen – termen die op hun beurt deel uitmaken van denksystemen, geloofssystemen. De gevoelens zijn gebleven: wanneer je niet presteert, produceert, dat wil zeggen wanneer je niet ziet hoe door je handelen om je heen van alles verandert – werken, werken, werken – dan word je overmand door een akelig gevoel van leegte, alsof niets zin heeft. Het zijn deze kortzichtige mensen die van de wereld zo’n heksenketel maken. Ernst dacht: en als het eens waar is dat het zogenaamde fatalisme van de zuiderlingen, en het leven van de dag op de dag, en van de hak op de tak, van iemand als Vanja, niets anders is dan een heilzaam loslaten. De gevolgen van je handelen reiken zoveel verder dan je zelf kunt zien, zelfs met een verrekijker. En geeft dat niet een soort betovering aan de werkelijkheid? Alsof de werkelijkheid wordt omspannen door een ragfijn netwerk van doorlopende consequenties? Niemand weet meer waar ze vandaan komen, je kunt ze hoogstens nog een beetje bijsturen (daar zit ‘m je verantwoordelijkheid), maar ze controleren – nee. Dit is geen fatalisme, dit is wijsheid, die rust brengt.

Een zekere lichtheid

Feniksbloem is overigens geen zwaar boek. Het viel mij op dat verscheidene lezers in hun reacties het over ‘een zekere lichtheid’ hadden. Iemand schreef me : ‘Er vindt een confrontatie plaats tussen twee manieren van in het leven staan – die van Ernst et die van Vanja – maar uiteindelijk gaat het toch over het vinden van zin en samenhang. Dit gaat via familie-verbanden, persoonlijke passies en offers die gebracht moeten worden. De zware schuldvraag maakt plaats over een open houding naar wat het leven je aandraagt. Dit geeft aan Feniksbloem een zekere lichtheid.’ Deze lichtheid kenmerkt ook – denk ik – het thema dat de verschillende motieven met elkaar verbindt : een klein tenger plantje met een wit bloemetje dat opeens terugkomt van weg geweest. Mort à jamais, qui peut le dire ? – zei Proust. Meer verklap ik niet.

Plannetjes en romannetjes

Ja, je hebt van die zinnetjes die je raken alsof je een klap krijgt. Als ik aan een zinnetje denk dat mij diep heeft getroffen – op onplezierige wijze heeft getroffen – dan is het een flard van een zinnetje dat eens door een grote Nederlandse theoloog is uitgesproken. Ziehier de flard : ‘plannetjes en romannetjes’. De betreffende theoloog had bezwaar tegen theologen die er niet mee volstaan de Bijbel te bestuderen en te verkondigen, maar die in zijn ogen teveel van hun kostbare tijd besteden aan ‘plannetjes en romannetjes’. Een verachting die daaruit klinkt ! Moet ik me nu ‘schuldig’ voelen omdat ik schrijf ? Nee, ik wil tot een zelfde soort besef komen als Ernst. Ik wil trouwens ook geloven dat Feniksbloem niet een ‘romannetje’ is. Dat hebben ze me in ieder geval nog niet gezegd.

Deze column verscheen eerder op Zinprofiel

Reageer