Op de wijze van Herodotus

12 nov, 2012 Onderdeel van paysages

Column door Caspar Visser ‘t Hooft

En als we ons onze wereld weer eens gingen voorstellen als Herodotus dat destijds deed? Herodotus baseerde zich op mythen fabels, legenden toen hij de wereld beschreef, topografie en al. Laten het voor ons de werken van grote schrijvers, en met name romans, zijn. Als ik eens tijd heb, ga ik een atlas van de wereld maken en daarin de continenten, landen, streken zo weergeven als ze me voor de geest zweven wanneer ik aan bepaalde lievelingsboeken denk. En daarbij probeer ik zoveel mogelijk te vergeten wat ik vroeger op aardrijkskunde heb geleerd, en wat ik tot dusver telkens weer bij het kaartlezen op reis bevestigd zag. Misschien moet ik eindelijk eens een GPS aanschaffen, voor in mijn auto. Dan hoef ik minder op de kaart te kijken, en dan zal op den duur mijn aardrijkskundige kennis vervagen. Wat weer tot gevolg heeft dat ik ontvankelijker zal worden voor dat andere wereldbeeld : de wereld die ontstaat wanneer ik de geografische en topografische gegevens enkel en alleen uit geliefde boeken haal. 

Engeland

Maar misschien kan ik me nu al een idee vormen over hoe die wereld er dan uit gaat zien. Wat ik zeker weet, is dat Engeland van eiland half-zo-groot-als-Frankrijk een uitgestrekt continent zal worden. Waarom ? Vanwege de reizen in postkoetsen (stage coaches) die zo dikwijls in de Engelse romans uit de negentiende eeuw worden beschreven : Dickens, Charlotte Brontë, Wilkie Collins, George Eliot. Tochten van Londen naar alleen al de Midlands of naar Yorkshire duren er meerdere dagen, met wachttijden in wisselplaatsen waar de paarden worden verwisseld, met overnachtingen in herbergen. Ja, die lange reizen maken een land groot. Vooral wanneer er mist hangt, wanneer het regent buiten, de wind huilt, wanneer het donker is. Dan ga je als vanzelf knikkebollen en soezen in zo’n koets. En dan word je wakker, en zeg je : waar ben ik ? Het komt je voor alsof je je duizenden mijlen van de bekende wereld vandaan bevindt. En toch ben je nog steeds in Engeland. En neem daarbij een geëikt tafereel dat in elke deugdelijke Engelse roman terugkomt, dat van het overbruggen van de afstand tussen het poortwachtershuis en het kasteel. De poortwachter komt met een fakkel, of een gaslamp, en met op zijn hoofd een slaapmuts naar buiten, hij is stuurs, zwijgzaam, hij maakt het grote hek open. Het hek kraakt. Hey ya ! – zegt de koetsier op de bok. En daar rijden we voort, in de diepste duisternis, over een oprijlaan waar maar geen einde aan komt. Hier en daar tikt in het voorbijgaan een bladerloze tak tegen de ruiten. Ergens zegt een uil “hoehoe”. Wie zal ons daar op de manor ontvangen ? Eindeloos groot, dat land ! Wie het onlangs goed weergaf, was Charles Pallisser, in The quincunx – prachtboek !

Frankrijk

Frankrijk mist het homogene dat het Engeland van de grote romanschrijvers kenmerkt. Wat heeft het Zuiden van Alphonse Daudet (Lettres de mon moulin) te maken met de Bretonse havens van Pierre Loti (Pêcheur d’Islande) ? En wat de Landes met zijn eentonige naaldbossen van Mauriac met de Artois waar zich de romans van Bernanos afspelen ? Hoe zal ik die kaart van Frankrijk weergeven ? Ik weet het – van de Provence, Bretagne, het Zuid-Westen, het Noorden maak ik domweg verschillende landen. Goed, je kunt natuurlijk tegenwerpen dat in al die gebieden dezelfde taal wordt gesproken – dus één land. Ik zeg : Nou en ? In Wallonië en in West-Zwitserland spreken ze ook Frans, en toch zijn dat andere landen. Zeg dit niet tegen Fransen. Die worden kwaad. Ze zouden zeggen : Wat ? Na Lodewijk XI en Richelieu, na onze Revolutie en de école laïque, weiger je nog steeds in Frankrijk één natie te zien ? Natie wel, land – nee, niet wanneer ik me er een voorstelling van maak op grond van de literatuur. En toch is er voor mij één gebied dat ik als de quintessens beschouw van alles wat Frans is. Maar dit is zuiver persoonlijk (natuurlijk). Ik noem het het échte Frankrijk. Dit gebied is de Sologne van Alain-Fournier (Le grand Meaulnes), en de min of meer aangrenzende Puisaye van Colette (La maison de Claudine). Grote eenzame bossen, minder diep en donker dan de Duitse Wälder – nee, vol licht, gevarieerd hout, met talloze ondiepe meertjes. Hier en daar een rommelig dorp, met een school die uit twee helften bestaat, rechts de école pour garçons, links de école pour filles. En met in het midden de mairie. Boven de ingang staat liberté, égalité, fraternité. Een paar cafés. Daar drinken de mannen hun glaasje, met hun petten op. Een oude plomp-romaanse kerk. Daar prevelen de vrouwen met de curé mee, met een doekje op het hoofd. Buiten het dorp begint een lange brokkelige muur. Erachter laat zich, verscholen in de wirwar van het bos, het château van Monsieur le comte raden. Ja, ik denk dat ik op de kaart van Frankrijk deze streek vele malen groter maak dan hij in werkelijkheid is, en dat ik van de rest randgebieden maak, die er verspreid omheen liggen.

Andere schrijvers die bepaalde gebieden in je verbeelding als het ware uitvergroten, om de enkele reden dat ze die gebieden op zulk een suggestieve wijze beschrijven. Ik doe een greep : Zola – wanneer hij in La Débacle het Oosten van Frankrijk beschrijft, Barbey d’Aurevilly met zijn departement van de Manche (hij die van de tijd van voor de departementen droomde), Julie Gracq en de Franse Ardennen van Un balcon en forêt.

Oost-Europa

In mijn novelle Sneeuw voor de zon heb ik in de belevingswereld van de hoofdpersoon, Tina de Witt, mijn droombeeld gelegd van de streken die ten Oosten van Nederland beginnen – ik citeer : « een wereld bestaande uit uitgestrekte landschappen met bergen, wouden, meren, besneeuwde steppen, dun bezaaid met houten boerenhoeven, hier en daar een hoog kasteel op een rots of een witgepleisterde buitenplaats in een park, hier en daar een kleine stad aan een blinkende rivier, residentie van een af andere prins of groothertog. Een soort toverwereld, die ten oosten van het saaie, zakelijke, platte Nederland begint – een “Oosten” dat de Zwitserse bergen omvat, net zo goed als de wijde Scandinavische merengebieden, en dat voorbij diepe Duitse sprookjes-wouden-van-Grimm en volksdansende Slavische gewesten zich in de onmetelijke Russische steppen verliest.” Ze had natuurlijk Selma Lagerlöf gelezen, en Tolstoj en Dostojewski, en Gottfried Keller, en Die Heilige und ihr Narr, en de Sneeuwkoningin van Andersen, en De gevangene van Zenda. En dat tijdens lange vakanties in haar jeugd, doorgebracht in een chalet in de Zwitsere bergen. Nee, even geen Ruhrgebieden, even geen stalinistisch beton-en-prikkeldraad.

Ja, waar ik Frankrijk op de kaart in verschillende landen opdeel, maak ik van Oost- en Noord-Europa één groot gebied, niet homogeen, maar wel waarin de overgangen geleidelijk zijn, en waarin overal sparrenbossen voorkomen. In Rusland komen er lichte berken bij. En ergens in een Boheems of Transsylvaans midden verheft zich het slot van Kafka. Tja – on s’amuse comme on peut.

Reageer