Tam-tam in de Tarn

14 jan, 2013 Onderdeel van proses

Column door Caspar Visser ‘t Hooft

Een mooi berggebied, dat van de Tarn. Het is natuurlijk een beetje flauw om te zeggen : heerlijk, je komt er nauwelijks toeristen tegen. Wat was ik dan ? Hoewel, nee – ik was niet echt een toerist. Ik was een halve toerist. Ik begeleidde een groep Fransen in een bus – en Fransen toeristen in eigen land, zijn dat toeristen ? – en het was voor mijn werk. En trouwens, toeristen – maak er ‘reizigers’ van, en het klinkt meteen een standje hoger. Beneden, in de vlakte ligt Castres, van daaruit stijgt een lange, kronkelende D-weg naar boven, naar het oord Brassac. Daar beginnen de Monts de Lacaune. Gek, je komt het meer tegen : beneden heb je dorpen en bedrijvigheid, boven heb je dat ook, maar op weg naar boven is alles woestheid en ledigheid. Hier heeft dat woeste en ledige een naam : de Sidobre (bekend om zijn merkwaardige steenformaties). Toen was het zomer, dat wil zeggen nazomer. Maar ik ben er ook twee of drie keer in een ander jaargetijde geweest. Ik herinner me het uitzicht wanneer je op weg naar boven omkeek – uitzicht over een wijde vlakte op de Pyreneeën die in verte, boven een wazig blauwe sokkel, stralend wit opglommen. In de zomer is het te heiïg om zover te kunnen zien. Zien jullie ze ? – vroeg ik aan de mensen voor en naast me in de bus. Nee, niets anders dan een wittige hemel. Alleen Theophile, een van onze twee Afrikanen die mee waren, zag wat, héél vaag, in de verte.

Keurig uitgestippelde wandeling

We logeerden in het kasteel van Lacaune, een grote fantasieloze kast met torens, een bouwsel uit de negentiende eeuw, die nu als communale, en daarom goedkope, gîte dienst doet. Lacaune ligt op 800 meter hoogte en wordt aan alle kanten door heuvels met eiken- en dennenbossen omgeven. Voor de eerste dag na aankomst hadden we een paar wandelingen in de omtrek uitgestippeld, één korte voor mensen met slechte benen, een middellange voor meer valide maar gauw vermoeide mensen en een lange voor de cracks onder ons. Deze laatste groep telde zo’n twintig mensen. Dat ik erbij was, spreekt vanzelf ( !), dat Theophile en Jean-Michel, onze twee Afrikanen, er ook bij waren, was een nog grotere evidentie. Je hoefde maar ze te kijken : posturen voor in een Olympisch stadium.

Theophile en Jean-Michel

Theophile was op een goede zondag bij ons in ons kerkje verschenen. Hij had te voet de zes kilometers afgelegd die het centrum voor asielzoekers van ons kerkje scheidden. Sindsdien kwam hij trouw elke zondag de dienst bijwonen. Met zijn vrouw en zijn dochtertje nam hij deel aan onze gemeentemaaltijden, hij bleek niet te beroerd om ons te helpen met het opknappen van kleine karweitjes. Kortom, hij ging er echt bijhoren. Hetzelfde gold voor Jean-Michel en zijn gezinnetje, met wie Theophile een half jaar later kwam aanzetten. Ze waren zojuist in de CADA (Centre d’Accueil pour Demandeurs d’Asile) gearriveerd, Theophile had zich daar over hen ontfermd, zodat ze samen sterk waren tegen Oost-Europees tuig dat daar de boel op de kop probeerde te zitten. Theophile en Jean-Michel waren uit hun land gevlucht omdat ze daar om politieke redenen in levensgevaar verkeerden. Na een lange onzekere tijd van wachten, kregen ze op de Prefecture de nodige papieren aangereikt die voor hen een definitief verblijf in Frankrijk mogelijk maakten. Mensen onderschatten soms de kracht van een kleine kerkgemeenschap. We hebben ze op alle fronten kunnen helpen. Door werk voor ze te vinden, huisvesting, door hen te begeleiden in het administratieve doolhof waartoe onze westerse samenleving is verworden. En op dat jaarlijkse busreisje van de gemeente waren ze van de partij. Camille, de vrouw van Theophile had griep, en Lea, de vrouw van Jean-Michel zorgde voor haar. Ze hadden hun mannen weggestuurd. Gaan jullie maar, zonder ons – zeiden ze. Wat ze duidelijk dachten was : Jullie lopen hier alleen maar in de weg.

Débandade

We konden het weten, het had die nacht geonweerd. Laat de volgende dag de zon erop schijnen, en ze komen uit de grond tevoorschijn. Ja, als paddenstoelen. Paddenstoelen. Toch bleef om te beginnen iedereen braaf over het pad lopen. Totdat we een paar meter over een asfaltweg moesten lopen en juist op dat moment een auto langsreed met achterin, op de achterbank – we konden het duidelijk zien – een paar manden vol paddenstoelen. En niet zomaar de eerste de beste paddenstoelen, eekhoorntjesbroden (cèpes) ! Toen was het hek van de dam (zeggen wij Nederlanders). La grande débandade – zeggen de Fransen. Afgelopen de wandeling over het keurig uitgestippelde traject, iedereen liep links en rechts en kris-kras het bos in, niemand die meer taalde naar het groepsverband. Maar zien hoe iedereen straks de weg terug vindt – dacht ik. Het zijn volwassen mensen, ze moeten het zelf weten. Gek, alleen Theophile en Jean-Michel bleven achter, op de weg. Ze stonden er een beetje beteuterd bij. Volgens iemand van de groep die vaak als toerist in Afrika was geweest waren ze bang voor geesten. Dat hadden ze overgehouden van de tijd dat hun voorouders nog animisten waren. Buiten de bewoonde wereld en de gebaande paden spoken de geesten van onbezweerde doden. Ze zien dingen die wij niet zien. De persoon bleek zich te vergissen. Ze waren bang voor landmijnen. Dat liet Theophile doorschemeren, met een enigszins beschaamd lachje : we weten wel dat we niet in Afrika zijn – maar ja, het zit er bij ons ingebakken : elke stap die je zet op een onbegane plek kan een stap teveel zijn. Ach nee ! Kom, doe mee ! – riepen ze onze Afrikanen van alle kanten vanuit het bos toe. Iemand kwam met een paar exemplaren van eekhoorntjesbroden aanzetten, die hij intussen had gevonden. Hij liet ze aan Theophile en Jean-Michel zien. Voor hun was de aanblik nieuw. Je kunt ze eten ? Gebakken in olijfolie, met knoflook en peterselie, een delicatesse ! – luidde het antwoord. Kijk goed, zo zien ze eruit. Kom op, doe mee met zoeken ! Aarzelend verlieten Theophile en Jean-Michel de weg, om zich vervolgens op het droge, knisperende bed van dode bladeren te begeven. Even later waren ze achter struikgewas verdwenen.

Terug in de gîte

Waar blijven ze ? Een paar uur later was iedereen weer terug in de gîte. Drupsgewijs, in kleine groepjes van twee-drie, soms alleen, waren ze terug komen wandelen, met de opbrengst van hun zwammenjacht. Om daarmee natuurlijk fijn de ogen uit te steken van de stakkers van de korte en middelgrote wandeling. Iedereen, maar niet Theophile en niet Jean-Michel. We begonnen ons zorgen te maken, we liepen een eind terug over de weg, naar de plek waar het pad begon. En daar kwamen ze plotseling bij een bocht in de weg, vanachter een paar bomen, tevoorschijn. Ze hadden ergens een oude krat gevonden, die ze tussen zich in droegen. Ze moesten de krat keurig recht houden, anders vielen de eekhoorntjesbroden, die tot boven de rand uitkwamen en die daar een berg vormden, eruit. Ja, het bleken stuk voor stuk echte eekhoorntjesbroden te zijn (en geen gewone boleten, die er weliswaar op lijken maar die minder lekker zijn). Niemand had nog een tiende gevonden van de hoeveelheid waarmee onze Afrikanen onder luid gejuich van iedereen op de gîte aan kwamen zetten. Ik zal het eten van die avond nooit vergeten.

Tam-tam

En ze hadden nog nooit eerder naar paddenstoelen gezocht ? Zo zie je maar, die Afrikanen, ze zijn nog dicht bij de natuur. Het zit in ze. Toch werd het ons niet gegeven het etiket « echte Afrikaan » op onze Afrikanen te plakken. Jammer, of gelukkig maar ? Ik weet het niet. Alsof het er iets toe doet. Iemand had ergens in de gîte een tam-tam gevonden. Waarschijnlijk achtergelaten door een groep jongeren die voor ons in de gîte had geslapen. Kom Theophile, kom Jean-Michel, jullie kunnen daar vast op spelen ! – zei de persoon die het die middag over geesten van doden had gehad. Ze bleken er niets van te kunnen. Iemand anders uit de groep deed het veel beter.

  1. 1 Reactie op “Tam-tam in de Tarn”

  2. Door bezienswaardigheden tarn op 11 feb, 2013

    Echt een prachtig gebied de Tarn, zeker een aanradar!

    website bezienswaardigheden frankrijk

Reageer