Oranjigheden

28 apr, 2013 Onderdeel van plaisanteries

Column door Caspar Visser ‘t Hooft

Toen Juliana werd ingehuldigd, was ik nog niet geboren. Toen Beatrix haar opvolgde was ik negentien. Zo’n troonswisseling is als een prik in de tijd: wat blijken de tijden toch anders wanneer je de algehele sfeer waarin zo’n oranjegebeurtenis plaatsvindt, of –vond, nader beschouwt! Toen met Juliana bevonden we ons nog in de brave tijd van na de oorlog. De zuilen stonden nog kaarsrecht overeind, burgerlijk fatsoen was nog niet voor zelfontplooiing en voor de slogan ‘wees-lekker-vrij-jezelf’ geweken en men zag de toekomst vol optimisme tegemoet – een toekomst van steeds grotere, en steeds eerlijker gedeelde welvaart. Althans, zo heb ik het gehoord. En toen met Beatrix, in 1980: een verschil! Ik heb het van nabij meegemaakt, ik stond op de Dam toen de krakers vanuit het Rokin oprukten, midden in het kordon dat door de marechaussee werd gevormd en dat met het heftiger worden van de aanvallen van krakerszijde steeds kleiner werd. Ik was namelijk lid van het Leidse Oranje-toejuich gezelschap, voor de gelegenheid opgericht, en bestaande uit twee man (waaronder ik).

Oranje-ontbijt

We hadden daags tevoren bij Albert Heijn kadetjes uitgezocht die er zo oranje mogelijk uitzagen, oranje margarine, oranje-muisjes natuurlijk, jus d’orange, oranje papieren servetten, oranje kartonnen borden en bekers, we hadden namelijk besloten ons tijdens de inhuldiging, op de Dam, voor het paleis, aan een ‘oranje-ontbijt’ tegoed te doen. We stonden die morgen in alle vroegte op. We gingen nog bij een clubgenoot langs, die de vorige avond, bij de borrel, kenbaar had gemaakt dat hij ons plan wel grappig vond. Hij lag nog in zijn bed te meuren. Toen hij ons zag, draaide hij zich een halve slag om, gromde wat – we begrepen, het bleef bij twee man. Naast de ontbijtspullen hadden we natuurlijk ook oranje vlaggetjes en molentjes bij ons, en oranje sjerpen voor om onze loden jassen. Maar wie schetst onze verbazing toen we bemerkten, op het station, in de trein, en vervolgens in Amsterdam zelf, het Damrak, de Dam, dat wij zowat de enigen waren die zich voor de gelegenheid op de boven beschreven wijze hadden uitgesloofd. We hadden veel meer bonte oranjejool verwacht. En een stampvol paleisplein. Niets daarvan, we vonden zonder enige moeite een plek, op de stoep, waar we onze oranjewaren konden uitstallen, en terwijl allemaal mensen lachend of schouderophalend voorbij liepen, werkten wij, zittend op oranje klapstoeltjes (ook die hadden we meegenomen) ons ontbijt naar binnen. Zo nu en dan bleef iemand staan, maakte een praatje, bij een bekertje oranjesap dat we hem op haar aanboden. Vaak kinderen. Ook een wetenschappelijk medewerker aan de sociologische faculteit van de katholieke universiteit van Nijmegen. Hij stelde zich voor als iemand die onderzoek deed naar humor. Hij vroeg ons of wij onze actie als humorvol beschouwden. We deden alsof we hem niet begrepen. Humor, hoezo? We zijn gekomen om onze koningin een aubade te brengen. Ja maar – hield hij vol: dit is toch humor? Wat bedoelt u? Enzovoort. Af en toe deden mensen schamper over ons accent. O – jullie komen uit Den Haag!? Tja, daar zijn ze allemaal gek. Nee, er waren er niet veel zoals wij. Geloven jullie me niet? Welnu, dan verwijs ik jullie naar het decembernummer van de Elsevier van 1999. Dat nummer bevat een algeheel overzicht van de 20e eeuw. Een serie foto’s: van de bouw van de afstluitdijk, van de oorlog, van de watersnood van 1953, van prominente Nederlanders – en ja, van ons! Op de Dam, in 1980, bij ons onranje-ontbijt. Er stond namelijk op een bepaald moment een hele haag fotografen voor ons opgesteld, in hurkhouding, flash – flash – flash. En wij natuurlijk door eten alsof onze neus bloedde.

De krakers

En toen begon de trammelant. Plotseling geschreeuw overal. Mensen die op en neer rennen. Politie te paard. We moesten ons oranjeboeltje snel bij elkaar rapen, ander werd het vertrappeld. Vanachter het paleis kwam een hoempaband aanmarcheren. En daar weer achter verscheen een tank – zowaar! De hoempabandmannen stoven uiteen. Toen de tank voorbij was gerold, in volle vaart, zagen we op de straatstenen een platgewalste tuba liggen. Het ging allemaal erg snel, de beelden die me zijn bijgebleven zijn surrealistisch. We hadden het eigenlijk niet zo in de gaten, dat er in Amsterdam een ware straatoorlog gaande was. We merkten opeens dat we als gevangen waren binnen het kordon van de marechaussee. Voor ons een reden om hoognodig naar de WC te moeten, alleen maar om te kunnen zeuren en klagen bij de agenten: we willen bij Krasnapolski naar binnen. Kan niet. Ja maar, we moeten naar de WC, we kunnen het toch niet zomaar op straat doen? En dat terwijl die agenten ons als een muur bescherming boden tegen de projectielen die de krakers richting Dam slingerden. Wat ben je toch zorgeloos wanneer je nog maar eerstejaars student bent ! Afijn, gek gedoe. Gekke tijd. Tijd van ‘anti-gevestigde orde’, laatste jaren dat een verwende geboortegolf zich deze houding kon permitteren. O ja, en toen we die middag naar het station terugliepen (het ergste was intussen achter de rug) kwamen we bekenden tegen. Ze waren gekomen om ‘oranjeballonnen’ te verkopen en om daarmee een zakcentje te verdienen. Nu zaten hun ballonnnen vol water. Ze hadden er ‘oranjebommen’ van gemaakt. Bleek beter te verkopen.

Commerciële hype

En dan nu met Willem-Alexander. Je wordt duizelig van de pendelbeweging. Van de troonswisseling van 2013 wordt een lawaaiige commerciële hype gemaakt. Wat ons Leids Oranje-toejuichgezelschap drie-en-dertig jaar geleden deed, doet nu als sinds weken de ‘vrije markt’, maar dan uit commerciële overwegingen. Tja, het protest is sinds de zege van het neoliberalisme, een paar jaar na 1980, feitelijk monddood gemaakt. Het heeft iets excessiefs, iets van dansen op de vulkaan, die oranjigheid van vandaag – in een tijd van crisis en versombering. Oranje, het laatste wat ons bijeenhoudt, met de voetbal? Als je het daarvan moet hebben… Enfin, het heeft ook weer z’n gekke kanten. Drie weken geleden kreeg ik een telefoontje uit Nederland: of ik twee journalisten van Autoweek te woord wilde staan. Ze kwamen Orange bezoeken (daar woon ik) en ook de andere plaatsen waar de Oranjedynastie oorspronkelijk vandaan komt (Nassau, Luxemburg enzovoort). De twee journalisten (aardige lui) kwamen aanzetten in een oranje auto waarop in grote letters ‘Kroningsrit’ stond geschreven. Ze bezochten het antieke theater, de triomfboog, de resten van het kasteel van prins Maurits, onze plaatselijke protestantse kerk, ze maakten allemaal grappige foto’s. Ik vertelde hen het volgende verhaal: toen ik in Orange kwam wonen, viel het mij op dat de mensen er zo keurig stoppen wanneer iemand over een zebrapad oversteekt. Iemand gaf me hier de volgende verklaring voor: Dat is nog uit de tijd van de Nederlanders, want die zijn zo netjes en gedisciplineerd. De ‘tijd van de Nederlanders’, zo noemde de persoon de tijd dat onze Oranje’s nog souvereine vorsten van Orange waren (dat was tot 1713). Deze anecdote vonden de twee journalisten grappig. Ze hebben het in de Autoweek van deze week gezet (nummer 17 – 24 april t/m 1 mei 2013) met een foto van mij terwijl ik over een zebrapad oversteek (wat je niet allemaal bereid bent voor de media te doen!). Bij het afscheid kreeg ik een goodybag cadeau, met daarin onder andere een basketbalpet met boven de klep ‘Autoweek’. O tempora o mores.

En Oranje boven!

 

 

 

 

 

  1. 2 Reacties op “Oranjigheden”

  2. Door Mieke Schepens op 28 apr, 2013

    Je maakt wat mee ! Mooi geschreven over oranjiheden. Hartstikke leuk !

  3. Door Schrijver in Frankrijk op 28 apr, 2013

    Dank je

Reageer