Montagne Noire

2 aug, 2013 Onderdeel van paysages

Column door Caspar Visser ‘t Hooft

Langzaam maar zeker stijgt de hitte. Ze hebben voor deze eerste dag van de maand augustus temperaturen van ruim boven de dertig voorspeld. Ik ben om negen uur ‘s morgens vertrokken: drie en twintig graden. Anderhalf uur later rij ik over de rondweg van Toulouse: acht en twintig graden. Goed in en om een grote stad is het altijd iets warmer dan op het platteland. Toch, wanneer ik me, weer een uur later, ter hoogte van Castres bevind (maar niet in Castres) – floep, daar springt de teller van negen en twintig naar dertig. Voor me doemen hoge heuvels op. Een donker massief. Ik weet het, links de Monts de Lacaune, rechts de Montagne Noire. Ik had besloten om het traject Gers-Provence voor een groot deel via de route nationale te doen : Auch, Toujouse, Mazamet, Bédarieux, om vervolgens pas bij Montpellier de snelweg te pakken. Mazamet ligt aan de noordkant van de Montagne Noire, in een tamelijk wijd dal. Het bleek er meteen twee à drie graden koeler dan in de gelig-zinderende vlakte van de Lauragais (het fabeltjesland van Kokanje) die ik achter me liet. Nog even kon ik het gebruik van de airco uitstellen. Ik heb een hekel aan airco, ik krijg er hoofdpijn van.

Toeristische posters

Montagne Noire – Mazamet. Ik moet denken aan de kamer waarin ik sliep bij mijn ouders in de Zwitserse bergen. Aan de wand hingen reproducties van toeristische posters uit de jaren twintig-dertig. De tijd van de crickettruien en witte brogues voor de heren, de pothoeden en lange parelkettingen voor de dames, de tijd van de open limousines, Hispano-Suiza, Delage… Een affiche voor het mondaine Italiaanse kuuroord Montecatini, een ander voor het Thermalbadeort Bad Kissingen, en een voor de Montagne Noire – met in kleine lettertjes onderaan: office de tourisme, Mazamet. Vanuit een onbestemde hoogte kijk je neer, door de zwarte takken van sparren heen, op de donkere glooiingen van een uitgestrekt bos, tot in het dal – ver beneden – met in het midden de oranje daken van een stad. Door het donkere bos kronkelt een weg, een wit lint, en op die weg rijdt – ja ! een open limousine, met aan het stuur een heer met zachtleren handschoenen en opzij en achter dames met pothoeden. Die handschoenen verzin ik erbij. Je kon ze niet zien. De figuurtjes waren minuscuul klein. Die donkere bossen, die kerstboomtakken die het uitzicht naar beneden omzomen, ik weet nog dat ik dacht: dat heeft meer iets van Zwitserland, of van een Duits of Scandinavisch bergengebied, of van de Vogezen, of (op z’n zuidelijkst) van de Auvergne – dan van Zuid-Frankrijk.

Een laatste stukje Noorden

En het is inderdaad een nogal merkwaardige gewaarwording, dat uitzicht op die zwartblauwe coulissen die zich rechts van je in de hoogte verheffen, met een kam die wanneer hij niet zou golven eruit zou zien als een omgekeerde zaag. Hier en daar laat de zwarte massa vierkanten en rechthoeken van tintelfris groen vrij. Malse bergweiden. Alsof het Massif Central voor de gekkigheid had besloten om ver in het Zuiden nog even iets van de sombere pracht van zijn noordelijke helft (Auvergne) tentoon te spreiden, voordat het – aan de andere kant van de zwarte coulisse – in de droogte en het goud van de mediterrane vlakte naar beneden duikt. Mazamet, St Amans-Soult (waar een van Napoleons maarschalken is geboren : Jean Soult, hertog van Dalmatie), Labastide-Rouairoux – bij St Pons de Thomières is het alweer afgelopen: de Montagne Noire heeft plaats gemaakt voor stenige hellingen vol droog eikenlover en grillige rotsformaties. Dertig graden, één en dertig graden, twee en dertig graden. De ramen moeten dicht, de airco moet aan. Het echte Zuiden kondigt zich aan. Overal Nederlandse nummerborden. Tja, als je dan naar het Zuiden gaat, en de zon zoekt, en de hitte…

Mazamet

In Mazamet werd tot de jaren tachtig wol van de huiden van schapen gescheiden volgens een procédé dat ze in Frankrijk délainage noemen. Het water van het bergriviertje dat vanuit de hoogten van de Montagne Noire naar het dal van Mazamet stroomt, schijnt vanwege zijn kwaliteiten (gebrek aan kalk) voor deze techniek uiterst geschikt te zijn. Het ging hier om een belangrijke industrie, in zijn bloeitijd telde Mazamet vijftig fabrieken. De producten werden naar alle delen van de wereld geëxporteerd – totdat Australië het van Mazamet overnam omdat het op goedkoper wijze dezelfde resultaten wist te bereiken. De mondialisering is niet van gisteren. Sinds de jaren vijftig is de bevolking van Mazamet voor de helft geslonken. Mazamet leidt nu het bestaan van elke kleinere stad in de provincie, een beetje commercie, een beetje dienstverlening, een ziekenhuis, een paar scholen, het kan erger. Zoals in Labastide-Rouairoux, een twintigtal kilometer verderop. Dit stadje leefde van de textiel. Geen wonder met al die wol zo vlak in de buurt. Zoeken jullie een oord waar het spookt? Rij door Labastide-Rouairoux. Triest, vreugdeloos, vervallen ! En een Montagne Noire die niet meer weet wat het wil, dennen, frisse weilanden of bruinige eiken en rotsen? – rommelig tussengebied. De industrielen in Mazamet waren veelal protestants, net als de bankiers. Na Parijs was Mazamet de stad in Frankrijk met het grootste aantal banken, naar het schijnt. Er stonden in Mazamet verscheidene temples réformés, ze hadden meerdere dominees. Dit is nogal bijzonder, want in Frankrijk vormen de protestanten een minieme minderheid. Ja, ook dit draagt bij aan het ‘noordelijke’ dat de Montagne Noire en Mazamet aankleeft, naast de dennenbossen, lichtgroene weiden en frisse berglucht. Bij protestanten denk je niet zo gauw aan dorre zonovergoten hellingen, strakblauwe luchten, olijfbomen en wijngaarden – toch?

 

 

 

  1. 1 Reactie op “Montagne Noire”

  2. Door roetman op 3 aug, 2013

    Geographische kennis gecombineerd met verleden en treffende sfeer beschrijvingen doen de lezer beseffen dat het Noorden niet zuidelijk genoeg kan zijn om te kunnen fascineren.

Reageer