Liberté, égalité, fraternité

20 dec, 2014 Onderdeel van politiques

Column door Caspar Visser ‘t Hooft

Waar ik politiek sta – ik weet het echt niet meer. En ik ben niet de enige. Wat wil ‘links’ nog zeggen, wat ‘rechts’? Ben ik liberaal? Tot op zekere hoogte. Ik ben voor een vrije markt, op voorwaarde dat hij strak door een democratische politiek wordt ingekaderd en gereguleerd, anders gezegd een ‘redelijk vrije’ markt. De huidige gemondialiseerde markt is niet redelijk vrij, ook niet vrij, maar anarchistisch. En dat is een ramp. Ben ik conservatief? O zeker, nostalgisch-conservatief zoals grootheden als Chateaubriand, Barbey d’Aurevilly en Claudel dat waren. Ook lees ik met intens plezier Ongeloof en revolutie van mijn verre oudoom Guillaume Groen van Prinsterer. Ben ik socialistisch? Misschien, maar dan in de zin van het echte socialisme dat de ongelijkheid wil verkleinen. Niet in de zin van het ‘moderne ‘links’ van nu dat met zijn strijd voor ‘politiek-correcte doelen’ niets anders is dan de andere zijde van de medaille van het ultra-liberalisme.

Ongelijkheid

Ja, het wordt hoogste tijd dat we onze krachten bundelen en we ons in ons politiek streven toespitsen op één gegeven: de ongelijkheid. De Franse econoom Thomas Piketty heeft er met zijn boek Het kapitalisme in de 21e eeuw voor gezorgd dat het thema weer op de voorgrond is komen te staan. Mainstream economen mogen piepen wat ze willen, het ‘effect Piketty’ kan niet worden teruggedraaid. Na jaren lang grondig onderzoek heeft Piketty aan kunnen tonen dat na de periode die van de Eerste Wereldoorlog tot de helft van de jaren zeventig loopt het inkomen uit kapitaal weer de overhand is gaan nemen boven het arbeidsinkomen (omdat het rendement op kapitaal weer groter is dan de groei van de economie), en dat deze tendens alleen maar toeneemt. Ook laat Piketty zien dat met deze verschuiving de kloof tussen arm en rijk wijder wordt. Ergens wisten het wel, voelden we het aan, overal knipperen de rode lichtjes – maar Piketty heeft het aan de hand van een minutieus onderzoek die de economische ontwikkelingen binnen een lange tijdsperiode bestrijkt kunnen staven. De vraag is nu: welke conclusies trekken we hieruit op politiek vlak?

Politiek

‘Op politiek vlak’ – alleen al door de vraag zo te stellen, maken we een statement. Het probleem van de groeiende ongelijkheid moet op politiek terrein worden aangepakt. Wie nu nog gelooft dat het vrije marktmechanisme wonderen kan doen, is wel erg naief. Veel mainstream economen met hun scholastiek van het perfecte evenwicht zijn naief. Gewoon niet meer naar ze luisteren. De ongelijkheid is een maatschappelijk gegeven, binnen democratisch verband hebben we met ons allen de vraag te stellen: willen we dit? Tot hoever laten we ongelijkheid toe, en waar zeggen we: stop, dit gaat te ver, hier moet worden ingegrepen. Hoe? Piketty stelt het volgende voor: door een progressieve belasting niet alleen op het inkomen en op de successie, maar ook op het kapitaal zelf. Ja maar, dan stroomt al het geld het land uit omdat de vermogenden hun duiten elders onderbrengen. Ja maar, dan wordt niemand meer tot ondernemen gestimuleerd, want het vooruitzicht van veel geld maken is nu eenmaal de grootste economische drijfveer…! Niets tegen een zekere mate van ongelijkheid, maar Thomas Piketty (en anderen) laten zien dat wanneer de ongelijkheid een bepaald niveau overschreidt, dat ten koste gaat van een gezonde economie. En dan zijn we net zo goed de klos – meer zelfs, omdat een te grote ongelijkheid bovendien de democratie ondermijnt. Maar afgezien van deze Real-politieke overwegingen, waarom zouden we niet meer na mogen denken in termen van ‘rechtvaardig’ en ‘onrechtvaardig’? Waarom krijgt deze meer dan die ander? Op grond van welke criteria? Waarom zouden we ons deze criteria enkel door het onpersoonlijke marktmechanisme moeten laten voorschrijven? We zijn mensen met een vrije wil, we zijn vrij onze samenleving zo in te richten als we dat zelf willen, vrij de rollen te bepalen, vrij de rijkdom te verdelen, vrij te werken aan de wederopbouw van ons afgetakelde systeen van sociale voorzieningen. Deze vrijheid is ons gegeven met de democratie. Mainstream-economen, technocraten en veel liberale politici (rechts én links) misleiden ons wanneer ze de huidige situatie van groeiende ongelijkheid als een soort fataliteit voorstellen. Wij zijn er nog.

Afleidingslinks

Thomas Piketty heeft de vinger gelegd op de zere plek. We kunnen nu allemaal kletstheorieën (het perfecte marktevenwicht, het trickle-down principe…) van economen en politici van de tafel vegen en ons concentreren op de hoofdzaak. Maar we zouden er hierbij goed aan doen te luisteren naar een andere Fransman, ditmaal een filosoof, Jean-Claude Michéa. Ja, want om ons op de hoofdzaak te kunnen concentreren – te weten een rechtvaardiger verdeling van de rijkdom – zullen we onze andere strijddoelen zo niet los moeten laten dan toch relativeren. De strijd tegen het racisme, tegen het sexisme, tegen de homofobie, tegen de tabak, tegen de dierenmishandeling enzovoort enzovoort – te vaak worden deze doelen door linkse partijen en politici op de voorgrond geschoven om zich ervoor schadeloos te stellen dat ze geen poot uitsteken om het schandaal van de volstrekt indecente ongelijkheid (en de groeiende armoede) te lijf te gaan. O wat zijn we vooruitstrevend! – jongens wat zijn we links! – wanneer we gehoor geven aan een zoveelste actiegroep die het opneemt voor een gediscrimineerde minderheid waarvan niemand wist dat hij bestond. Goed, ik overdrijf – er bestaan minderheden, en ze mogen niet in een hoek worden gedrukt. Maar laat dit gegeven ons niet afleiden van waar het een verantwoordelijke politiek vandaag in de allereerste plaats om zou moeten gaan: strijd tegen de groeiende economische ongelijkheid. Het links van nu is tezeer een ‘afleidingslinks’. Jean Michéa beschrijft de Franse situatie. Maar het komt mij zo voor dat er duidelijke parallellen zijn met wat er in Nederland gaande is.

Het liberale programma van het ‘moderne links’

Jean-Claude Michéa gaat verder. In Les mystères de la gaucheL’empire du moindre malLe complexe d’Orphée verdedigt hij de volgende stelling: het liberale project van een gemondialiseerde vrije markt veronderstelt de toepassing van enerzijds een economisch en anderzijds een cultureel-maatschappelijk programma. Het zijn in de regel de ‘rechtse’ partijen die zich sterk maken voor de toepassing van het economische programma, het is het ‘moderne links’ dat opkomt voor de toepassing van de cultureel-maatschappelijke variant. Twee kanten van een zelfde medaille. We zijn het natuurlijk gewend om ‘rechts’ liberaal te noemen. Maar ‘links’? Volgens Michéa heeft het ‘links’ van vandaag niets meer te maken met het socialisme uit de tijd van de Franse voorman Jean Jaurès (1859 – 1914) die het socialisme nog binnen de kaders van de klassenstrijd beschouwde. Door het idee van de voortuigang, dat haar vanouds eigen is, te koppelen aan de strijd tegen de krachten die de emancipatie van minderheden, het multiculturalisme en het ‘verleggen’ en opheffen van de grenzen belemmeren, levert het ‘moderne links’ ook een essentiële bijdrage aan de totstandkoming van het integraal liberale project. Michéa ontleent dit idee aan de schrijver George Orwell. Hij deelt Orwell’s kritiek op een vorm van linkse politiek die in zijn tijd al gestalte begon te krijgen. Orwell ging uit van het bestaan van een ‘common decency’ bij de volksklasse. Hij maakte hier kennis mee tijdens zijn verblijf in de industriegebieden van midden-Engeland. Deze ‘common deceny’ laat zich omschrijven als een sterk gevoel van saamhorigheid binnen een gegeven gemeenschap, als de gehechtheid aan een bepaalde locatie (wijk, fabriek, voetbalveld, pub), en aan de verhalen die aan deze locatie een specifiek karakter geven, als een vasthouden aan een bepaalde rolverdeling binnen familiaal en sociaal verband, en boven alles als een scherp gevoel voor wat ‘fair’ is en wat niet, met name op het gebied van de verdeling van de rijjkdom. Volgens Jean-Claude Michéa is Orwell’s veronderstelling van de aanwezigheid van een aldus omschreven ‘common decency’ pertinent en pleegt het ‘moderne links’ verraad jegens de volksklasse door systematisch deze ‘common decency’ te ondermijnen. Hoe? Door zich de zaak van talloze emancipatoire bewegingen eigen te maken, door de bewieroking van het multiculturalisme, door een sympathie voor alles wat ‘grenzen verlegt’, met name op het gebied van de kunst en van de moraal. Want dit schept verwarring, hierdoor verdwijnen vaste zekerheden, de bodem wordt onder de voeten van mensen weggeschoven. En hierdoor vallen gemeenschappen uiteen, mensen worden op hun eigen persoonlijke ‘keuzes’ aangesproken, want de dingen zijn niet meer gegeven, maar zijn te ‘kiezen’, de maatschappij verbrokkelt, mensen worden losse atomen. Anders gezegd, manipuleerbare consumenten, losgeslagen (witte- en blauwe boorden) slavenvolk, volstrekt overgeleverd aan de krachten van de gemondialiseerde vrije markt. Ze zijn niet meer in staat zich te verzetten, want het ontbreekt hen aan de gemeenschap en de aan vaste orientatiepunten (die alleen een gemeenschap kan verschaffen) die hen dat mogelijk maken. Losse atomen zijn machteloos. En zo heeft het ‘moderne links’ op cultureel-maatschappelijk vlak hetzefde weten te bewerken als ‘rechts’ op het vlak van de economische politiek : mensen uit hun oude verbanden losmaken. Ja want ook de eis van een steeds grotere fysieke mobiliteit en flexibiliteit – eis van het vrije markt-mechanisme dat ‘rechts’ verdedigt – maakt mensen los. Een gemeenschap met wat dat meebrengt aan zekerheden en gedegen orientatiepunten veronderstelt een minimum aan duurzaam geworteld-zijn.

Democratie

Dit alles wil niet zeggen dat we de strijd tegen discrimaties en stigmatiseringen moeten laten varen. Wel doen we er goed aan ons de stelling van Michéa ter harte te nemen. Een waarschuwing. Een kwestie vooral van het bepalen van prioriteiten. Ook Naomi Klein zegt het in haar boek No Logo te betreuren dat de strijd die ze als studente voerde binnen het kader van typisch ‘politiek correcte’ doelen (feminisme, gendergelijkheid, multiculturalisme – op grond van ‘deconstructief’ en cultuur-relativistisch denken) haar lange tijd blind heeft gemaakt voor de kwalijke ontwikkelingen die met de economische politiek van de jaren tachtig-negentig in Amerika begonnen. Het gaat erom onze krachten te bundelen, ons op het essentiële te concentreren, anders verwatert de strijd. Iedereen is erbij gebaat, ook de minderheden, dat we eens goed met ons allen het schandaal van de economische ongelijkheid en de groeiende armoede aanpakken. Dat wordt de grote test: leven we nog in een democratie of niet? En zo ja, dan kunnen we ons met ons allen ook op dat andere gigantische probleem richten: het behoud van onze planeet. Het één is trouwens nauw met het ander verbonden. We zijn met ons allen, meerderheden, minderheden – we laten ons onze vrijheid niet door economen, technocraten en lobbyisten voor multinationals uit handen nemen. Makkelijker gezegd dan gedaan ? Ik weet het. Maar het is al een heel ding dat we het kunnen ‘zeggen’ – dat doen we dus.

Een enigszins verkorte versie van deze column is ook te vinden op Joop.nl

 

 

Reageer