Maria met de appel

7 aug, 2015 Onderdeel van proses

Column door Caspar Visser ‘t Hooft

De Franse kerken zijn het doelwit geworden van vandalen en plunderaars. En Frankrijk zou Frankrijk niet zijn wanneer dit trieste gegeven niet aanleiding gaf tot politiek gebakkelei. Sommigen zeggen dat de regering deze praktijken bewust bagatelliseert. Een hakenkruis op de deur van een synagoge, een zwijnskop op die van een moskee, en heel Frankrijk staat op zijn kop. En de minister van binnenlandse zaken komt persoonlijk de locus delicti bezoeken. Een kerk wordt leeggeplunderd, het gebouw wordt volgeklad met obsceniteiten, en niemand geeft een kik. Ja, want de regering heeft er belang bij de kerk als overheersende conservatieve kracht voor te stellen (terwijl ze allang niet meer overheerst), want dan kan hij zich door zich op te winden over attaques tegen “minderheden” hoogst progressief tonen. Een regering die zich een beetje links noemt heeft zich af te zetten tegen een overheersende machtsgroep binnen de maatschappij, en dit zich afzetten bestaat onder andere daaruit dat je je niet bijzonder druk maakt wanneer deze machtsgroep hier en daar last ondervindt. Kortom, een typisch kenmerk van het gedegenereerde socialisme van onze tijd: je opwerpen tot grote beschermer van religieuze, culturele, raciale minderheden – iets waar op zichzelf natuurlijk niets mis mee is – en daarbij de invloed van meerderheden die allang geen meerderheden meer zijn bewust overschatten en ze reactionaire tendensen toeschrijven. En dat is wel mis. Zich links noemende regeringen denken zich daarmee schadeloos te kunnen stellen voor de weigering de werkelijk overheersende machtsgroep aan te pakken, namelijk het grote geld, de speculatie, en de extreem-liberale technocratie van Brussel. Er zit in dit verwijt een kern van waarheid – zo wil het me voorkomen. Maar aan mensen die op deze wijze de onverschilligheid van de Franse overheid ten aanzien van de Kerk proberen te verklaren, wil ik ook zeggen: Pas op, blijf redelijk, sla niet door. Want anders zit je voor je het weet in het kamp van de intolerante identiteitsrakkers met hun dromen van een onbesmet katholiek Frankrijk, oudste dochter van Rome, enzovoort. En die mensen zijn er ook (al is hun aantal relatief gezien gering) en ook zij zijn weinig frequentabel…

Een bijzondere categorie

Heeft de Franse overheid gelijk wanneer hij de ernst van het verschijnsel kerkvandalisme relativeert? Hebben anderen het bij het rechte eind wanneer ze zeggen dat het fenomeen buitengewone proporties heeft aangenomen? Hoe het ook zij, ik neem het zekere voor het onzekere en ik zeg niet waar die 14e eeuwse Maria-met-de-appel te vinden is. Of liever gezegd, ik gebruik schuilnamen. Een half jaar geleden nog lag ze op de zolder van een mairie van een bergdorpje in de Pyreneeën. Onder het stof en danig aangevreten door de houtworm. De appel was allang weg, maar de geheven rechterhand die deze appel oorspronkelijk vasthield was er nog wel. Ook de kleine Jezus die de Maria eens op haar linkerarm droeg was door de parasieten opgegeten, ditmaal met de linkerarm erbij. Een goede vriendin van mij is voor haar werk op het culturele departement van Toulouse al sinds een jaar bezig met het opmaken van een inventaris van alle Maria’s-met-de-appel die nog over zijn. Ze komen voor in een streek die de Comminges heet, maar je schijnt ze ook aan de andere kant van de Pyreneeën te vinden, in de Catalaanse bergdalen (zoveelste bewijs dat de bergen destijds volstrekt geen grens vormden, er was druk verkeer heen en terug over de passen…). Waar ze vandaan kwamen, wie de eerste beeldhouwer was die met het model voor den dag kwam, het is en blijft een raadsel. Maar vanaf het begin van de 14e eeuw zagen zowat alle Mariabeelden in de streek er hetzelfde uit: rechtop gezeten, een hoog rechthoekig hoofd met erop een kroon, met links op de arm Jezus, en in de rechterhand, opgeheven, een appel. Symbool van wat? Sommigen zeggen de wereld, anderen de vruchtbaarheid, weer anderen de vrucht van het paradijs. In veel kerken zijn deze primitief aandoende Maria’s allang door nieuwe Maria’s vervangen, sentimentele Maria’s van het soort dat ze in Frankrijk St-Sulpiciaans noemen, naar het voorbeeld van de Maria van Lourdes met de blauwe mantel. Maar sommige kerken, in de regel de meest afgelegen kerken, hebben de oude Maria-met-de-appel bewaard. Al komt het voor dat ze zijn weggestopt in schimmelige sacristieën, achter misgerei en mottige kazuifels. Marie-Jeanne, mijn goede vriendin, beschouwt haar speurtocht naar de overgebleven Maria’s-met-de-appel als een sport, ze zegt dat het haar jachtinstinct wekt. Ja, werk kàn bijzonder boeiend zijn! Een privilege.

De Maria van Guzaux-le-Haut

De vrouw van de burgemeester van Guzaux-le-Haut (schuilnaam) had in haar vroege jeugd de Maria-met-de-appel nog in een nis in de kerk zien staan. Maar op een kwade dag was het beeld weg, de nieuwe curé had haar voor een nieuwe Maria ingeruild. Hoe de Maria-met-de-appel op de zolder van het gemeentehuis terecht kwam, weet niemand, maar de verbazing was niet gering toen ze haar daar, bij een grote opruiming, tussen de afgedankte meubels en oude archiefdozen, aantroffen. Toulouse werd op de hoogte gesteld, Maria-Jeanne kreeg een foto toegestuurd. Volgens haar ging het niet om zomaar een Maria-met-de-appel, maar om – kunsthistorisch gezien – een bijzonder zuiver exemplaar van de Maria-met-de-appel. Dat zag ze meteen. Men had haar van hogerhand te kennen gegeven dat ze drie beelden uit haar inventaris mocht laten restaureren, de staat zou betalen (ja toch!). Voor haar stond meteen vast dat de Maria-met-de-appel van Guzaux-le-Haut tot de drie zou behoren. Het is hartje winter, er ligt sneeuw. Afspraak met de burgemeester, de burgemeester stopt haar het beeld in handen, en zij ermee over een slingerend weggetje waar zojuist zout op is gestrooid naar beneden, naar het dal, naar Toulouse, waar ze het beeld aan een professionele restauratrice toevertrouwt.

Race met de klok

Bij het afscheid had de burgemeester haar gezegd dat zijn vrouw ongeneeslijk ziek was, dat ze nog maar een paar maanden te leven had. Haar grootste wens was dat ze de Maria-met-de-appel nog zou zien, gaaf en opgeknapt, in de nis in de kerk waar ze haar als kind altijd had zien staan. Marie-Jeanne had hem toen beloofd ervoor te zorgen dat ze vaart zouden zetten achter de restauratie. Het werd een race tegen de klok. Ik was erbij toen ze de opgeknapte en mooi gepolitoerde Maria aan de burgemeester terug overhandigde. We waren er samen op uit getrokken, in mijn auto, met het beeld keurig ingepakt op de achterbank. Een mooi tochtje, naar een bergdorp waar niemand komt. Dat zulke dorpen nog bestaan – denk je bij aankomst. Een wirwar van steegjes met aan weerszijden stenen huizen, steil oplopend tegen een hoge helling, met boven een massief romaans kerkgebouw en nog hoger, op een rots, de resten van een middeleeuwse burcht. In het dorp lopen honden, poezen, kippen los, ook een ezel. De burgemeester was opgetogen. Ja, zijn vrouw leefde nog. Maar ze was stervende. Maar ze zou het nog weten, dat de Maria-met-de-appel terug op haar plaats kwam te staan, waar zoveel generaties mensen haar om haar intercessie hadden gebeden. “Wat is hij mager geworden” – zei Marie-Jeanne op de terugweg: “Een grote, forse man, nu zo mager als een lat. Maar we hebben het van de klok gewonnen.”

 

 

 

 

Reageer