Brandende kolen

31 mei, 2017 Onderdeel van proses

Column door Caspar Visser ‘t Hooft

Mijn vierde roman heeft het licht gezien. De eerste die zich in Frankrijk afspeelt. Niet in het Frankrijk van de zuidelijke zon, de terrasjes, de platanen en de jeu-de-boules. In dat Frankrijk woonde ik toen ik het boek schreef. De omgevingen die ik in mijn verhalen evoceer zijn nooit dezelfde als die waar ik verblijf op het moment dat ik schrijf. Schrijven is weg-gaan, reizen. Brandende kolen speelt zich af in de Ardennen, in een leeg Lotharingen-Champagne en ergens in de nabijheid van de statige bossen onder Parijs. Herfst, begin-winter, kortom de periode dat Frankrijk van de Fransen is. En van de ene motorrijder met wie de lezer meerijdt, en met wie hij wonderlijke dingen meemaakt. Ik zie op de site van een webwinkel dat Brandende kolen wordt genoemd onder de rubriek ‘road novels’. Ik had daar zelf niet aan gedacht, maar wanneer in road novels jongensachtig avontuur, een zekere dosis surrealisme en een grotere dosis maatschappijkritiek verenigd kunnen worden, dan klopt het wel. Met daarbij veel beschrijvingen van het weliswaar noordelijke, maar altijd even wijde, weidse Frankrijk. Hieronder volgt een voorproefje. De hoofdpersoon denkt terug aan de vakanties uit de tijd van zijn jeugd, ze namen altijd dezelfde route naar Frankrijk. Een citaat uit het eerste hoofdstuk.

De tafel waaraan ik zit stond vroeger bij Pa in de studeerkamer. Ik kijk door het open raam naar buiten. Als Pa hier had gezeten, met het schetsboek dat hij altijd bij zich had – tijdens de vakanties althans – dan zou hij natuurlijk niet na hebben kunnen laten het landschap vast te leggen. Drie razendsnelle streken waren genoeg geweest om de structuur weer te geven: een soort platgedrukte driehoek met de punt naar beneden. De bovenste streep is de zachtjes golvende heuvellijn in de verte. De twee strepen die elkaar in de diepte raken, zijn links en rechts aflopende weilanden. Het diepste punt wordt door een klein stroompje bepaald. Pa zou even hebben gewacht, en dan, krassend met zijn pen, de bovenste streep – de heuvellijn – van de tanden van een zaag hebben voorzien: een decorstuk van donkere sparren. Hier een koe, daar een koe in de wei. Een wolk in de lucht, een vogel. Een zoveelste schets.

Waarom ik aan Pa moet denken? Om dezelfde reden als Caroline toen ze vier jaar geleden Préfleuri kocht. Dat vermoed ik althans. Ja, Pa moet haar postuum bij de keuze van het huisje, vooral vanwege de ligging ervan, hebben beïnvloed. Het kan niet anders of ze voelde hetzelfde als ik wanneer wij achterin bij Pa en Ma in de groene Saab hier over de snelweg voortdenderden. Pa werd overweldigd door een intens gevoel van geluk. Bij Visé waren we de grens overgegaan, daarna hadden we door het lelijke Luik gereden (objectief lelijk, subjectief mooi omdat het ‘buitenland’ was), over de drukke kade boven de Maas. En na Luik begonnen de bossen. De snelweg tilde ons met wijde bochten naar de hoogten van de Ardennen. Boven strekten zich de eerste vergezichten uit: glooiende weilanden, boscoulissen. “Een gevoel van wijdte!” zei Pa. En: “Hier begint het pas echt.” Met ‘het’ doelde hij op meerdere werkelijkheden die voor hem tot één geheel versmolten: het buitenland, en dan vooral in zoverre het van een Franse sfeer was doortrokken, vakantie, vrijheid, ruimte. “We zijn nog niet in Frankrijk, maar wel in een soort voor-Frankrijk.” Het is gek, wanneer je erbij stilstaat: wat heb je je ouders niet allemaal horen zeggen, je zou er hele boekdelen mee kunnen vullen. En toch is het maar een dun boekje, figuurlijk gesproken – het boekje met de woorden die in je herinnering zijn blijven steken. En als je dat boekje overleest, denk je: is dat alles? Zo bijzonder was het ook weer niet. Waaruit ik afleid dat niet zozeer de strekking van die woorden indruk maakte als wel de kracht van de onderliggende gevoelens. Zou het kunnen dat vooral woorden die uitdrukking geven aan een stemming van puur geluk je bijblijven?

Ik moet het Caroline toch eens vragen: Heb je daarom je tweede huisje hier gezocht, even onder – of liever gezegd boven – Luik? Niet ver van de snelweg, die je van hieruit niet kunt zien, en die je alleen bij een bepaalde wind kunt horen. Omdat Pa vond dat ‘het’ hier begon? Caroline zou natuurlijk spontaan antwoorden dat zij en Johan voor Préfleuri waren gevallen omdat het zo dichtbij was: twee-en-een-half uur rijden vanuit Amsterdam, en dan ben je al echt op het platteland, zoals je dat alleen in het buitenland nog hebt. Nuchter mens. En dan zou ze even nadenken, en zeggen: “ja, misschien – misschien heb je gelijk…”

Een zachte wind strijkt langs mijn gezicht. Ik snuif een geur op van mest, van dennen, van de bloeiende buddleia naast de voordeur. Ik kan hem niet zien, wel de gele vlinders die de struik met zijn paarse pluimen aantrekt. Een bij schiet langs, blijft even op de plek staan, kijkt naar binnen, schiet weg. Floor, mijn foxterriër, die op de bank ligt (wat hij niet mag, en toch doet) heeft de bij ook gezien. Hij piept. Moet ik zeggen dat die reis op de motor, vijfentwintig jaar geleden, voor mijn gevoel ook hier pas begon? Vanwege die vreugdekreet van Pa, die als het ware was blijven nagalmen, en die je weer oppikte als je hier aankwam? “Hier begint het pas echt!”

Hier laat ik het voorloping bij. Het verhaal heeft een spannende plot, een onverwachte ontknoping – dit zeg ik om jullie ertoe aan te sporen Brandende kolen te lezen.

 

 

Reageer