Een kapel, een bron

27 jul, 2020 Onderdeel van proses

Column door Caspar Visser ’t Hooft

De kapel van Brouls wordt door oude lindebomen omringd, vandaar dat je hem vanuit het domein van mijn vrienden niet kunt zien. Wel de bomen. Brouls: een bestemming voor een wandeling, na een uitgebreid zondagsdéjeuner bijvoorbeeld. Twintig minuten lopen, langzaam heuvelopwaarts, een stuk door weilanden, een stuk over een smalle geasfalteerde weg, dan een hol laantje dat naar het hek leidt. Het uitzicht vanaf het terrein rondom de kapel is adembenemend. Bij mooi weer kijk je uit op het wijde panorama van de Franse Pyreneeën: een decor van coulissen die vlak achter elkaar zijn opgesteld, eerst groen-golvende heuvels, daarachter – en hoger – donkerblauwe partijen, daarachter muren van steen, en helemaal boven stukken wit. In de kapel van Brouls werd vroeger elke week een mis gevierd, nu niet meer. De kapel zou voorgoed in onbruik zijn geraakt wanneer men zich niet had herinnerd – dat was een paar jaar geleden – dat er lang geleden een lokale heilige werd vereerd. En wanneer men niet had gedacht: wat jammer wanneer deze aloude traditie voorgoed in de vergetelheid zou raken! Reden voor een paar ondernemende mensen om een vereniging op te richten die over het onderhoud van de kapel waakt en die zich belast met het organiseren van een jaarlijkse ceremonie ter ere van de betreffende heilige. Dit alles los van het programma van de lokale kerkgemeenschap. De plaatselijke pastoor bedient een parochie die uit zo’n twintig kerken bestaat (vroeger had elke ervan een eigen herder), zo’n kapel erbij, dat hoefde niet van hem. De jaarlijkse viering in Brouls moet het daarom met een hoogbejaarde priester doen die de mensen van de vereniging ergens hebben weten op te scharrelen. Ik was er een keer bij, een feestelijk gebeuren, kleurrijk, folkloristisch, maar om nu te zeggen erg christelijk-vroom – nee, niet bepaald.

Ganties

In de diepte strekken zich glooiende weilanden uit, hier en daar een boerderij, een schuur. Ook stukken bos. Een van deze bossen verbergt een bron die al in de tijd van de Romeinen bekend stond om zijn genezende kracht. Daarvan getuigt een nog bestaande badkuip uit die tijd. De bevolking van het nabijgelegen dorp Ganties is het nooit vergeten, maar het was pas rond het jaar 1830 dat mensen uit de grote stad op het idee kwamen de bron te exploiteren. Het water uit de bron bleek een probaat middel bij het genezen van wonden, huidziekten en maagzweren, en het heeft een kalmerende werking bij hypernervositeit. Er werd een badinrichting gebouwd, een gastenverblijf. Er kwam een park, met als attractie de oude Romeinse badkuip. Een renbaan. Het werd een mondain kuuroord, en hoewel het nooit de faam verwierf waar zulke kuuroorden als Cauterets, Luchon of Eaux-Bonnes op kunnen bogen, werd het door fijnproevers niet versmaad. Maar aan alles komt vroeg of laat een eind: rond 1900 was het gedaan met de luister van Ganties’ thermen, nu is er haast niets van over. Het oude gastenverblijf is een privéwoning geworden, maar voor de rest is alles vervallen, en de natuur heeft weer de overhand genomen. En de bron? De bron is er nog steeds, het water borrelt nog steeds naar boven, vanuit een donkere diepte waar het allerlei heilzame elementen in zich absorbeert. Naast het oude gastenverblijf staat een fontein: vanuit vier openingen spuit water in een bassin. Je mag je zomaar bedienen. Ga er met een paar lege bidons naar toe, vul ze tot bij de tuit, en je hebt gratis geneeskrachtig water. Ik kan het beamen, wanneer je dit water op een schaafwondje giet, is dit wondje, met litteken erbij, in de kortste keren weg. Zo’n twintig jaar geleden schijnt Evian (of was het Vittel?) de hand te hebben willen leggen op de bron, met winstoogmerk. Het is er niet van gekomen, particulieren komen nu in auto’s aanrijden en vullen hun achterbak met water dat niet onderdoet voor dat van de grootste merken. Een kleine schare, ze hebben het van horen zeggen, want vanuit de weg wordt nergens de ligging van de bron aangegeven, er wordt geen reclame voor gemaakt.

De Kerk

We nemen afscheid van het mooie uitzicht, we keren de kapel de rug toe, tijd om terug te wandelen. Maar het was niet voordat de volgende gedachte in mij had postgevat: die verlaten bron, ooit kern van een florerend bedrijf, nu niet meer – die bron en deze kapel delen eenzelfde lot. Ook deze kapel was destijds een middelpunt van druk menselijk verkeer. Dat was toen er nog échte erediensten werden gehouden, net als in alle afzonderlijke kerken in de wijde omgeving. Elke week, misschien zelfs elke dag. En niet zoals nu nog maar héél af en toe, bij gebrek aan priesters, bij gebrek aan gelovigen, of enkel in de vorm van oppervlakkige folklore. De geneeskrachtige bron van Ganties, de kapel van Brouls – ik denken: sic transit gloria mundi…

De bron

En toch blijft dat water maar opborrelen – een stroom die niet ophoudt – en een handjevol mensen is er zich van blijven bedienen. En toch blijft de goddelijke genade maar beschikbaar, overvloedig, overvloeiend: een kleine minderheid die er zich aan is blijven laven. Ja, want christenen zijn een minderheid geworden in de maatschappij. Ooit een bloeiend kuuroord, ooit een machtige Kerk, nu niet meer, maar water en genade blijven stromen. En daar ging het – daar gààt het – ten diepste om. En nooit zo gratis als nu. Terwijl zoveel anderen, de horden, de andere kant opkijken, naar waar vertier is, en lawaai, afkomstig van marktventers, ideeënverkopers en ander schreeuwvolk…

“Kom je?”

“Ja, ik kom!”

En we lopen het holle laantje weer af, naar de geasfalteerde weg.

Reageer