La dame américaine

31 mrt, 2021 Onderdeel van politiques, proses

Column door Caspar Visser ‘t Hooft

Tot haar veertigste woonde ze in een kleine ‘town’ in de Amerikaanse Mid-West. Ik ben een tegenstander van het gebruik van buitenlandse woorden wanneer je ze keurig in het Nederlands kunt vertalen. Maar welk Nederlands woord zullen we kiezen om dat ‘town’ in om te zetten, vooral wanneer de betreffende ‘town’ in Idaho of Nebraska ligt? Bij het woord ‘dorp’ denk ik aan een bescheiden agglomeratie rondom een kerk met voor een plein. Bij het woord ‘stadje’ aan een groter geheel van bebouwing, ditmaal rondom een centrum met een stadhuis. Die Amerikaanse ‘towns’ hebben geen duidelijk centrum. Ik zie brede wegen voor me die recht toe-recht aan van de ene kale vlakte naar de andere lopen, en die een paar kilometers lang door lage gebouwen, links en rechts op een rij, worden omzoomd: de ‘town’. We rijden voorbij een saloon, een kapper, een kleine supermarkt, een benzinestation, afgewisseld door onaanzienlijke woonhuizen, sommige in hout opgetrokken, en dan begint de leegte weer, met een naamloze heuvelrug in het verschiet… De helft van haar leven, vanaf haar geboorte, had Gladys in zo’n ‘town’ doorgebracht. En droomde ze van Frankrijk.

Frankrijk was voor haar het land van de verfijnde beschaving, de élégance, de hoofse manieren, de taalvaardigheid, en natuurlijk ook van de croissants, de Parijse terrassen, de chansons en het accordeon. Wat ze was, deed, daar in Idaho of Dakota? Ik zou het niet weten. Ik stel me zo voor dat ze een kleine plaatselijk bibliotheek beheerde, of dat ze muziekles gaf. Hoe dan ook, ze liep al tegen de veertig toen ze de Franse handelsreiziger ontmoette met wie ze vanaf dat moment haar leven zou delen. De ‘town’ keek uit op een uitgestrekt gebouwencomplex: de zetel van het multinationale concern dat hij in Frankrijk vertegenwoordigde. Hij was naar Amerika gereisd om van de grote bazen instructies te ontvangen. Toen hij naar Frankrijk terugkeerde, kwam zij met hem mee. Omdat zijn werkterrein het oosten van het land omvatte, was zijn standplaats Nancy. Daar betrok het pas getrouwd stel een kleine, maar nette woning in een brave middenstandswijk. Daar ben ik twee keer op bezoek geweest.

Hij was toen al dood. Zij was al over de tachtig. Een verschijning! Groot, met een opgespoten kapsel, veel lippenstift, gehuld in een fleurig, wapperend gewaad. Het interieur was ingericht naar het voorbeeld van het atelier van een negentiende eeuwse bohémien-artiest: schilderijen op ezels, draperieën, een piano met erop een banjo met een lint, fauteuils met daarop kleurige stoffen, een enkel rococo-stoeltje op krulpoten. Gladys – ja, zo heette ze, zo mocht iedereen haar noemen. In het Frans werd het Gla-dies. Maar deze foute uitspraak betaalde ze met klinkende munt terug, haar Frans was om te snijden. Ik heb het over het accent, niet het taalgebruik. Dat was alsof je iemand uit Voltaire of Rousseau hoorde voorlezen. En ze hield ervan, te praten. Want ze hield van de Franse taal. En we luisterden graag naar haar, omdat net als haar hele wezen, haar woorden, haar zinnen, haar verhalen uitdrukking waren van geluk en levensvreugde. Ze was in Frankrijk!

Ja maar… was Frankrijk haar dan niet tegengevallen? Ik heb het haar eens iemand horen vragen. Het was een vraag die ook bij mij was opgekomen, net als bij anderen, alleen hadden wij de moed niet gehad hem te stellen. Want tussen de voorstelling die je je in je dromen van iets maakt en de werkelijkheid ligt in de regel een afgrond. Als je dan met de werkelijkheid wordt geconfronteerd loopt dat uit op een teleurstelling. De Fransen, dat zijn niet de markiezen en markiezinnen uit de brieven van Sévigné en de mémoires van St Simon, dat zijn niet de hoffelijke heren en coquette dames van Maupassant, dat zijn zelfs niet de man met de alpinopet en de vrouw in haar schortjurk met balletjesmotief, voor dichtgeknoopt. Niet meer althans… Gaf niet – ze bleef de Fransen beschouwen zoals ze zich hen altijd had voorgesteld. Dat ze er heel gewoon, zoals iedereen op de wereld uit waren gaan zien, gestandaardiseerd, geglobaliseerd, dat was maar schijn. Alsof ze zich hadden verkleed, en alsof die verkleding maar voorlopig was. Ze hoefden hun spijker- en truiengoed en sportplunje maar uit te doen en ze waren weer de markies, de elegante, welbespraakte bel époque courtisane, de bohémien chansonnier of artiest die ze in wezen waren. Tegengevallen, Frankrijk? – mais comment est-ce possible? Bien sûr que non, j’aime la France ! En ze zei zelfs : Je vous aime !

Wat doet het de mensen goed te horen dat ze méér zijn dan ze zijn. We zijn dusdanig geneigd van anderen te zeggen dat ze eigenlijk ‘maar’ dit of dat zijn. We doen niets liever dan zoeken naar iemands zwaktepunten, om vervolgens zijn hele wezen daartoe te herleiden. “Ach, hij mag dan wel doen alsof, toch is hij eigenlijk maar…”. Gladys zag de mensen – de Fransen – als méér dan ze waren, en ze hoefden daar niets voor te doen. En het krikte hen op, het maakte hen blij, vrolijk – en ’t is gek, uit pure vrolijkheid, maar misschien was het ook dankbaarheid, gingen ze zich gedragen als ‘de Fransen’ van Gladys’ dromen. In haar bijzijn werden gesprekken op slag pikant en geestvol – l’art de la conversation! De gebaren kregen iets sierlijks – je vous prie madame! Iedereen deed z’n best, en het ging vanzelf.

Ze was weduwe, ze had geen kinderen, ze had geen enkele familie in Frankrijk. Op haar begrafenis was de kerk stampvol, er stonden zelfs mensen buiten. Ook kwam er in de Est-Républicain een mooi artikel over haar te staan. Ze was lid geweest van talloze cultuur- en muziekverenigingen, ze had in meerdere besturen gezeten. Dat alles werd breed uitgemeten, de stad Nancy had een bijzondere, hooggewaardeerde ingezetene verloren. La dame Amércaine – het meisje Gladys uit de Mid-West voor wie Frankrijk tot haar laatste snik ‘la grande, la douce France’ was geweest.   

Reageer